Dat de genade particulier is - pagina 185
175
En
men nu ten slotte: of er dan toch ook voor ons o-een deze hoogheilige aangelegenheid overblijft, dan aarzelen geen oogenblik, die vraag toestemmend te beantwoorden.
strijd
we
vraai^^t
in
—
Er blijft een tegenstrijdigheid. Een tegenstrijdigheid die ook wij ons niet onderwinden op te willen lossen. Overmits die oplossing, buiten het perk van ons denken, in de hoogere zalving van het met God verzoende zielsbewustzijn ligt.
Ook
wij blijven dus ten slotte van twee reeksen gewagen, waarbij saamvalling der oneindig voortgezette termkliraming aan ons oog ontsnapt, en verhelen het zelfs allerminst, dat ook in de Heilige Schrift die beide reeksen zeer duidelijk aanwijsbaar zijn. Maar .... en ziehier al het verschil tusschen ons en hen, die ons zoo schamper en uit de hoogte veroordeelen .... van die tegenstrijdi"-heid is alleen en uitsluitend en eeniglijk sprake, indien ge de genadezaak eendeels van Gods zij en anderdeels van 's menschen zij beziet. En niet indien ge, gelijk in het vraagstuk dat hier ons bezig hield, geheel bij „de zaak aan Gods zij", blijft. Dat is, het zij met bescheidenheid gezegd, de onverschoonlijke fout van- onze tegenstanders, dat ze twee, zoo geheel verschillende dingen, zoo schromelijk plegen te verwarren. Als ik de genadezaak van haar zielkundige, van haar anthropologische, van haar ethische zijde bezie en doorzoek, dan, dit geven we grif toe, staat men voor de onomstootbare uitingen van het zedelijkmenschelijk leven, die we ten volle te eerbiedigen hebben niet mogen verbloemen; en waaraan we volle recht moeten doen wedervaren. Op ethisch, anthropologisch of psychologisch gebied overtredend, d- w. z. als ik de zaak aan 's menschen kant bezie, dan begin ik natuurlijk met de werkingen in 's menschen ziel te onderzoeken en klim van
de
;
daar naar den Eeuwige
op. En dan, we stemmen het volmondig toe, er een tegenstrijdigheid, die men moet erkennen. Dat niet te doen is óf zich zelf of de kracht zijner redeneering niet kennen, en doet is
in elk geval aan het heilige te kort. En zoo ook omgekeerd, bezie ik de zaak theologisch, d. w. z. van Gods kant, dan heb ik onvoorwaardelijk te rekenen met het Wezen en de eigenschappen en de besluiten en de openbaring Gods, zonder éénig recht te hebben, daarop ook maar iets af te dingen. En daal ik van daar nu tot de menschelijke ziel neder, dan stuit ik, dit
erkennen we even gaaf, wederom op diezelfde tegenstrijdigheid,' die mij ook den geest zou verwarren, indien ik het buigen niet kende voor het Woord. Bedoelden onze bestrijders dus in dien zin hun stellen van twee reeksen, dan zou hier niets op te zeggen zijn. Maar, eilacen, dat doen ze niet. Hier toch was geen sprake van het bezien der zaak van twee kanten; maar uitsluitend van een bezien der zdi^]L y^n éénzelfden ko-ni.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's