Heils termen - pagina 77
67 Bleek het ons nu dusver, dat in het leven der Heilsopenbaring, zoowel als in het leven van den enkelen geloovige, het Teeken een van God verordend en door God gewerkt middel is, dan is hiermee voor de Gemeente, in haar geheel genomen, nog volstrekt niets beslist, en moet de vraag geheel op zichzelf behandeld worden: Of ook dit gemeenteleven, ook deze Verbondsstichting van Teekenen verzeld is? Natuurlijk kan alleen de Schrift ons het antwoord daarop geven. Viermalen is op de gewijde bladen, en wel bij Noach, bij Abraham, bij Mozes en bij den Christus, van Verbonds-stichting sprake, en uit de geboorte-acten van deze Verbonden moet ons dus blijken welke
Teeken in hun levensfeer bekleedt. Verbond met Adam in het Paradijs zwijgen we daarbij met opzet. Het Schriftverhaal toch maakt bij den eersten mensch van geen Verbond gewag. Eerst, door uit het verhaal aangaande Noach, Abraham, Mozes enz., de kenteekenen van het „Verbond" op te maken, wordt men in staat gesteld tot beoordeeling der vraag, of werkelijk ook de betrekking van den eersten mensch en zijn nakomelingen tot zijn Schepper als Verbondsbetrekking zij op te vatten. Niet met Adam, maar met Noach moet het onderzoek dus aanvangen, zoo we op deugdelij k-Schriftuurlij ken grond de verhouding van „Verbond" en „Teeken" zullen afbakenen. Bij Noach is, naar luid der Schrift zelve wel en deugdelijk sprake van een „A^erbond." „Maar Ik, ziet, spreekt de Heere, Ik richt mijn Verbond op met u, dat niet meer alle vleesch door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid." Hier, gelijk bij Abraham, gaat dit verbond dus verzeld van een belofte en een gebod. Het laatste zijn de dusgenaamde Noachitische geboden. De belofte is, dat geen zondvloed meer de aarde verdelgen zal. En evenzoo vinden we ook hier het niet minder onmisbare kenmerk van een Verbond Gods, dat het niet slechts voor hem, met wien het gesloten wordt, zal gelden, maar evenzeer voor zijn nakomelingschap. Het wordt dus door den Heere zelven een Verbond genoemd alle kenmerken van een Verbond zijn aanwezig, en er is dus geen enkele reden om de aan Noach gegevene belofte niet als een werkelijk Verbond op te vatten. Maar dan is het ook ontwijfelbaar, dat in dit A^erbond het Teeken zijn vaste, eigene plaats inneemt. Aldus toch sprak de Heere tot het hoofd der menschheid na den zondvloed: „Dit is het Teeken des Verplaats het
Van
het
;
bonds,
dat Ik geef tusschen Mij en tusschen ulieden en tusschen levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten" (Gen. IX: 13); en nog eens herhaalt de Almachtige plechtiglijk dezelfde toezegging: „Dit is het Teeken des A"^ er bond s, dat Ik opgericht heb tusschen Mij en tusschen alle vleesch, dat op aarde is." Gelijken tred hiermee houdt het Verbond door El-Schaddaï met Abraham gesloten, bij de eikenbosschen van Mamré. Gelijk Noach het hoofd der menschheid na den zondvloed was, zoo werd Abraham
alle
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's