Het heil in ons - pagina 100
90
En
slotte, klimt het schuldbesef evenzeer, wijl we ook bij onze werken, al meer letten gaan op de schuldige en zondige bijmengselen van onze onheilige bedoelingen. Er komt meer verlichting, daardoor meer opmerkzaamheid en fijne en „door de gewoonte worden de zinnen geoefend tot ondertact, scheiding tiisschen goed en kwaad." Zoo leert men allengs smetten zien, waar men eerst zich in eigen voortreffelijkheid behaagde, en het einde is, dat we zelf al minder worden en Christus almeer wast voor ons geloof. Dat tegelijk hiermee voor het besef van Gods uitverkorenen hun heiligheid al onvoldoender wordt, is van dit dieper indringen in het wezen der zonde slechts de keerzijde. Wat heilig en goed en gerechtig is meenen we eerst zelf wel te kunnen uitmaken. We gaan dan af op eigen inbeelding, meten dan met den standaard des zedelijken levens, die in onze vrome omgeving geldt, en rekenen dus naar een menschelijke wet. Maar komt er genade, dan houden we het bij die menschelijke wet, die niets dan afgoderij in haar wortel en dood in haar vrucht is, te7i
beste
niet uit.
De Heilige Geest Wij zouden er
dringt ons dan naar Gods wet! niet
heen
willen,
want die wet
is
een verterend
vuur, dat niets geheels aan ons laat. Meer weerstand baat niet. We moeten er aan. We moeten in dat vuur. De Geest gunt ons geen ruste. En leven we dan, na in die eischende wet Gods geheel verteerd te de volbrachte wet Gods, d. i. Christus, weer glprieuslijk op, zijn, in dan ziet ons oog ook iets anders dan vroeger, dan meet het met een anderen maatstaf, dan rekent het bij alle geestelijke becijfering van nu aan met de oneindige Goddelijke differentiaal, d. w. z. dan meet
Gods kind alle dingen en laat zich zelf en zijn werk door den Heiligen Geest meten, „naar de wet Gods" in haar oneindige geestelijke verdieping, of, wil men korter nog, naar de negen geboden met het tiende als Commentaar en Christus als Uitlegger. Daartoe allengs gerakende bespeurt alsdan het kind van God hoe onheiliglijk laag en beschamend klein hij, om zich zelf te dekken, dusver van de heiligheid zijns Gods geoordeeld had, en ziet nu, in Christus geborgen, bij Geesteslicht die heiligheden van Gods Drieëenig wezen al grooter, al rijker, al heerlijker worden, ja zoo in schittering en luister groeien en toenemen, dat al zijn eigen werk er al schameler en nietiger bij wegzinkt en hij beseffen gaat, wat zonde en hoovaardij het was, toen hij eerst een tijdlang de majesteit des Heeren naar zijn eigen geestelijke gebrekkigheid verkleinen dorst. Zoo is er dan in den begenadigde een geestelijk proces, dat hem Christi bloed al dierbaarder en de heiligheden Gods al heerlijker maakt en juist daarom eêler vruchten in hem rijpen doet, wijl ze uit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's