Het heil in ons - pagina 215
205 zijn dan niet te bannen noch te bezweren en moeten mijn gedragslijn regelen, tot ik eindelijk uit die ingebeelde wereld in de werkelijkheid terugkeer. Vind ik dan in die werkelijkheid, dat ik aan de macht der natuur schier niets veranderen kan, dat de natuur bestaat en werkt, onafhankelijk van mijn goedvinden, of ik het wil of niet, en word ik dus wel gedwongen het bestaan van een veel grooter macht buiten mij te erkennen, dan eindig ik met in die natuur iets hoogers te vinden dan ik zelf ben, mijn uitnemendheid boven die natuur, die ik als mensch heb, weg te werpen, het stoü'elijke en zinnelijke boven het geestelijke te stellen en bij eerste instantie in zingenot levensgeluk, in verdierlijking eere te zoeken, om straks bij tweede instantie materialist van professie te worden, mijn denken, mijn gevoelen, mijn zedelijk leven zelfs, uit eigenschappen van de stof af te leiden, en ten slotte zelfbehagen te vinden in een stelsel als dat van Darwin, dat den oorsprong van den mensch in het dier, gelijk van het dier in de plant en van de plant in het stof zoekt.
dwingelandij veeleer
Verweer hiertegen ligt uitsluitend in het Godsbesef, d. i. in het onderdrukken van de aandoening, hoe geheimzinnig en onbepaald ook, die we van Gods alomtegenwoordige macht in den diepsten grond van ons wezen ervaren. Het onderdrukken van die aandoening valt het lichtst in den gewonen sleur des levens, het moeilijkst in oogenblikken van ernstige levenservaring, In den gewonen levenssleur het lichtst, wijl we dan in de oppervlakte leven en met den dieperen, grond van ons wezen niet rekenen. Bij ernstige levenservaring het moeilijkst, wijl dan de grond van ons wezen in ons wordt omgewoeld en daardoor die aandoening van Gods alomtegenwoordigheid vanzelf waarneembaar wordt. Tot het onderdrukken van die aandoening is wilskracht en op-
niet
noodig. Alleen aan zeer sterke geesten gelukt het, tegen het uitkomen van die aandoening op hun hoede te zijn. De meesten verraden, ondanks hun voorgewende Godloochening, zich in onbewaakte oogenblikken van diepgaande smart, heftigen toorn of overstelpend geluk, terstond. Zelfs de moeite, die ze zich geven, om, met terzij zetting van God, een grond voor hun aanzijn buiten zichzelven te zoeken, getuigt, dat een innerlijk besef zettelijke
steeds
hen
toeleg
en overal
drijft.
dat Godsbesef treedt de mensch nu in de wereld op en vindt daarin zichtbare en onzichtbare dingen. Die zichtbare wereld noemen we de natuur. Haar macht is deels verre boven de zijne en toch weer in menig opzicht aan hem onderworpen. Hij kan dus haar macht niet als het hoogste erkennen, vindt veeleer telkens, dat ook zij afhankelijk is en door een wil buiten haar geleid wordt. Zoo brengt hij die macht die zich in 't hart, en die macht die zich in de tuur openbaart, met elkaar in verband, en kan zich aan den
Met
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's