Honig uit den rotssteen - pagina 228
ai4i liefde mocht ingaan, dat was mijn heerlijkheid. Dat mocht optreden, dat was het welbehagen des Vaders aan den Zoon. Neen, niet zelf heb ik mij die gunst om priester te mogen zijn genomen, maar ik ontving ze. „Want gelijk niemand onder menschen die eere aanneemt, dan die van God geroepen wordt, alzoo heeft ook de priester Christus niet zichzelven verheerlijkt, om priester „Gij zijt mijn Zoon, te worden, maar Die die tot hem gesproken had heden heb Ik u gegenereerd! Gij zijt priester naar de ordening van Melchizedek!"
Dat ik in die
ik
priester
als
:
En nu, peilt ge de diepte der goddelijke volmaaktheid die in zulk een nederige gestalte van den priester Christus uitblinkt? Zie, de liefde, de teedere, diepgaande liefde kan nu eenmaal niet het minste bijmengsel velen van wat geen toewijding, geen zelfverloochening, geen offerande, geeu overgave zijn zou. Hohcaustiim is de liefde. D. w. z. een volkomen brandoffer; dan eerst waarachtig, als het geheel verteerd
En daarom ook; nu
wordt.
doorziet onze ziel hel
immers? daarom kon
de priesterliefde Christi te onswaarts geen mindere noch een andere wezen. Te mogen liefhebben, zich te mogen offeren en door dat liefdeofler te kunnen redden, het moest niet genomen macht, maar het moest ontvangen eer en gunst zijn, hem toegekend door den Vader.
Maar denk dan nu
voorts aan utv liefde. diep beschamend, niet waar? Haast niet tot liefde, tot toewijdende, opofferende, wezenlijk verloochenende liefde te kunnen komen. En als ge eens een enkel maal er toe kwaamt, dan dat gevoel van zelfvoldaanheid. Alsof ge nu wonder iets bereikt hadt. Een gedachte door uw ziel varend, dat ge het zoo ver dan nu toch met Gods hulpe bracht.
Hoe
En
daartegenover komt
eeuwige
uw
nu
Jezus,
uw
priester, staan,
hij
bij
wiens
toewijding verzinkt als een drop in de volheid der zee, en die Jezus zegt zoo goddelijk naïef tot u: „Dat ik priester zijn mocht, dat nam ik niet, maar dat kreeg ik, dat is mij de eere van mijn God!" Waar, waar blijft gij dan nu met uw zelfverloochening en uw creatuurlijk medelijden Voelt ge dan nu nog niet, hoe er zonde kleeft aan onze beste werken, en hoe ons diep verdorven hart als een worm aan de eêlste vrucht knaagt, en zelfs dat schoon van den bloesem der heiligste, priesterlijke liefde weer, door zelfverheffing op die liefde, bederft? Priesters en priesteressen te zijn is ook ons gegeven. Ook ons moet het lijden aantrekken; ook in ons moet de hartstocht glinsteren, om de smart te omarmen om in het benauwde van liefde
sterkste
!
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's