Het heil in ons - pagina 53
43
waarnemend niet wat buiten ons in het verborgen in het onzichtbare plaats grijpt. Dat is de instrumenteering van ons gemoed. Door die innerlijke zintuigen vangen we in dat gemoed een hooger lichtstraal op ver boven den glans der zon, beluisteren we een stem die uit de eeuwige diepten op ons aandringt, tasten we de geestelijke wezenheden, die het Koninkrijk Gods saamstellen, smaken we een spijze, die sterkt en verkwikt met wonderlijke mogendheid en ruiken we als ware het dat alles beslissend verschil tusschen wat heilig en onheilig, demonisch of hemelsch, uit den Sathan of uit God is. Bij het jonge kind werkt die instrumenteering van het gemoed, hoe verward en gebrekkig ook, toch nog sterker dan bij den volwassene voor zijn wedergeboorte. Een kind toont soms een instinctief besef, waardoor het :)1s ruikt of de persoon met wien het in aanraking komt een edele natuur is of een onheilige mensch. In een kind is soms iets teruggetrokkens, een bezig zijn met iets, dat ge niet waarneemt, een diep aangedaan worden door wat achter de zichtbare wereld ligt. Yandaar hun aantrekkelijkheid voor het heilige; vandaar dat ze het bidden niet vreemd vinden dat ze van de dingen des hemels zich zoo licht gezeggen laten; dat ze over dat raadselachtige, onzichtbare, altijd vragen wat en hoe het toch is; vandaar hun wezenlijk genieten in vreugd, hun zoo diep ongelukkig zijn in smart. Maar toch, meer nog dan de instrumenteering, die ons met de buitenwereld in gemeenschap stelt, heeft die bewerktuiging van ons gemoed door het bederf onzer natuur geleden, en ge ziet het dan ook, als de knaap opgroeit, hoe zichtbaar die innerlijke bezigheid verflauwt, die gevoeligheid afneemt, dat instinct uitslijt en dat gissende vragen zelfs wegsterft, tot het is of het gemoedsleven geheel verstompt werd en de wereld hem ontzonk, waarmee de zintuigen van het gemoed smaak,
een
zichtbare,
andere
maar
reuke,
heto;een
;
hem vroeger verrijkten. Komt het nu tot wedergeboorte, dan
leeft dat alles weer op, niet doordien het gemoedsleven met een nieuwen toestel voorzien wordt, maar zóó dat de eens gebroken raderen van dat inwendig leven hersteld, op hun spillen gezet en in onderlinge harmonie worden gebracht. Dan keert wel niet de toestand van het kind terug; want in het kind waren die raderen reeds bij zijn geboorte gebroken, ze stonden nooit op de rechte plaats, ze werkten nimmer gelijk het behoorde; maar niettemin zijn het dezelfde raderen gebleven, ook de bewerktuiging van zijn gemoedsleven is geen andere geworden, slechts werd ze vernieuwd en naar Gods oorspronkelijk plan in orde gesteld. Daar voelen we iets van, als we na onze wedergeboorte een aanknooping aan de teederste aandoeningen onzer jeugd meenen te vinden. Het bracht sommigen zelfs op het dwaalspoor en schonk ingang aan de meening, alsof spade ontwikkeling van wat in onze jeugd reeds bestond het een en al der wedergeboorte zijn zou.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's