De leer der Verbonden - pagina 157
::
147 is dan ongeveer gelijk aan Adam in den der rechtheid. Hij moet er dan aan toe zijn, gelijk Adam er aan toe was. En het eenig verschil is, dat, waar Adam slecht koos, hij daarentegen, nu door Adams misslag afgeschrikt, voor zichzelf verbetert wat Adam fout deed, en langs dien weg in heiligmaking toeneemt.
Een bekeerde zondaar
staat
Met twee grove dwalingen hebben we
hier dus te strijden. dwaling is, dat een goddelooze (en goddeloozen zijn we immers allen?) dat een goddelooze zeggen we, de kracht zou bezitten om nog voor God te kiezen en zich te bekeeren. Zoo leeren het b. v. de Pelagianen. Of ook, dat aan een zondaar zekere genade zou worden toegebracht, waardoor hij in staat zou worden gesteld, om weer voor God te kunnen kiezen; maar zoo, dat hij' ook nog zeer wel tegen Godi kon kiezen; en dat de vraag, welk van deze twee hij nu werkelijk kiest, ter laatste instantie van hem zelf afhangt. Zoo leeren het b. v. de ethischen. De eerste dwaling raakt dus de vraag hoe een zondaar tot bekeering komt? Door o>iwederstandelijke genade, al dan niet? En niet minder verderfelijk is de tweede dwaling, die niet loopt over de vraag: „Hoe kom ik tot bekeering?" maar over die andere: „41s ik nu eenmaal bekeerd ben, hoe ben ik er dan aan toe, in welke positie bevind ik mij?" Dan toch antwoordt een goed deel ook der zich noemende orthodoxen in onze dagen (minder de ethischen) „Eenmaal bekeerd, dan zijt ge weer hersteld in den toestand, waar Adam uitviel!" Wat dan met andere woorden zeggen wil: „Dan begin ik weer van voren af aan God te dienen, en mij zelven heilig te maken en alzoo voor te bereiden voor den hemel!" Dient nu de eerste dwaling vlakweg bestreden en principieel tegengestaan, door weer duidelijk en op alle manier de belijdenis onzer vaderen op de consciëntie te binden: „dat de genade der bekeering nooit anders dan on wederstandelij k is"; tegen deze tweede dwaling van „in Christus terug te erlangen wat we in Adam verloren" moet even beslist en onomwonden de belijdenis der kerke Christi geplaatst „dat zaligmakende genade een onverliesbaar goed is." Onverliesbaar, en dus lijnrecht overstaande tegen hetgeen Adam bezat, die blijkens de historie en aller eenparige bekentenis, feitelijk hetgeen hij had verloren heeft. En in dat ééne punt nu ligt eigenlijk al het verder verschil; een verschil dat zoo ver gaat als ge de lijnen maar wilt doortrekken; en hoe hetgeen Adam bezat en hetgeen een bekeerd klaarlij k toont, zondaar van zijn God ontvangt, twee geheel uiteenloopende weldaden zijn; zaken die letterlijk niets met elkaar gemeen hebben, maar in
De
eerste
:
elk opzicht tegen elkander over komen te staan. En dat wel met dien verstande, dat het heilgoed hetwelk ons in Christus geschonken wordt,
op
alle
waardij
manier zeer verre het door en heerlijkheid, overtreft.
Adam
vóór zijn val bezetene, in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's