Honig uit den rotssteen - pagina 119
!
105 maclit over menschen, alles, alles van ii zelf afzet, en een dief ziet, die lansïe jaren dat filles aan uw God hadl ontstolen, en nu, na als dief ontdekt te zijn, het u niet ziet afnemen, mfuir het u als (Todsi2;esehenk bevestigd ziet, o, pelgrim op den weg naar boven, hoe is uw beker dan niet overvloeiende geworden, wat maakt die ondoorgrondelijk barmhartige God u dan toch niet onuitsprekelijk rijk! Ge placht altijd te bidden om maar meer te vragen; mij dunkt, nu zult ge dan ook aan het (laiih'ii toekomen. Ge mecndet een akker met niets dan doornen en distelen te hebben. Maar nu ge aan het graven gingt, zie, wat schat er verborgen lag. Nii alles 's Heeren goed, en gij zoo onnoemelijk verrijkt En daaraan toegekomen, ja, dan gaat het ten slotte nu ook, met nog veel onmetelijker rijkdom in het (jevstelijkc over, en leest het kind van God in Jeremia's profetie een heerlijke belofte ook van
invloed,
in
u
iiw
zeil'
innerlijke ^/V/sverrijking.
Dan is die aardsche schittering nog maar een klein en nietig begin een voorspel op het heerlijk lied, dat nu volgen gaat een dorpel waarover hij binnentreedt in 's Heeren n(/(>nlij/i huis. En dan, o, dan zijn er voor de ziel geen oogen genoeg om te zien, geen ooren genoeg om te hooren, geen hart genoeg om te genieten, zooals het dan alles blinkt van sieraad en vertooning in 's Heeren heilige woning. Dan gaan we als uit een arme stulp naar Salomo's paleis op, om met Seba's koningin uit te roepen: Verre de helftte was ons niet aangezegd!" En dan stroomt en dan vloeit en dan perst het, uit genade voor genade; heerlijkheid na heerlijkheid; al de schatten Christi! Eén eindeloos avondmaal, vol mergs en vol zoeten wijns, in al de weelde der zaligste vergili'enisse der teederste en verteederendste liefde; van het eeuwisr diepe licht. En dat blijft dan niet buiten ons, maar de (lieest brengt het iii ons. ;
;
.,
;
Hat is het heerlijke genieten. Hat eerst is het volle verzadigd worden van „'s^ Heeren </oed."
's
Heeren volk met
XXXVIIJ.
Cotbat :CH Ijcm En
Ijc.solMic!
aldaar zal
hij zijn tot
zoeke, spreekt de Heei'e.
dat Ik
hem
Jeremia 32
:
be5.
„Totdat Ik Iicin hezoeke!" Wat heerlijke, zielvertroostende uitdrukking voor het sterven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's