Het heil ons toekomende - pagina 221
311
Versmading
is het tegendeel van heerlijkheid. Tot heerlijkheid zijn in versmading vielen we. Heerlijkheid ziet niet op het onzichtbare, maar op het zichtbare. Het duidt niet een toestand der ziel, niet een zalige gesteldheid des geestes aan, maar een uitbreken in het zichtbare, van den vollen ghins des goddelijken levens. Ze zal
we geroepen,
daarom
openbaar worden in ons verheerlijkt lichaam en in de verschepping om ons. In een afschijnsel van die heerlijkheid stond de van God geschapen, mensch in het Paradijs. Eeeds de enkele naam van Paradijs roept de gedachte aan glans en heerlijkheid voor onzen geest. Het was een voorportaal, leidende naar de volle heerlijkheid, die stond te komen, of .... een droeve doorgang naar den smaad, waaronder men kon heerlijkte
verzinken.
Ook op Nog is er
ons lichaam
hebben we dus
de versmading te letten. Dit ontkennen we niet. Slechts lette men er op, dat deze schoonheid slechts bij vergelijking met het onooglijke uitkomt, en dat kunstenaars en dichters steeds een ideaal van schoonheid hebben nagestreefd in hun engelenen madonna-koppen, dat ten bewijze strekt hoe de ware, echte, edele schoonheid in vorm en gestalte te loor ging. Bovendien, wat behoeft de uitzondering ons op te houden. Dat het grooter deel der menschheid de uitdrukking van schoonheid in haar voorkomen mist, is onloochenbaar. En denkt men aan de breede groep van misdeelden, wier gelaat en gestalte metterdaad iets terugstootends heeft, aan geheele rassen en stammen, wier aanblik alle aantrekkelijkheid mist, en niet minder in Europa zelf aan de vele misvormden en wanstaltigen, die met alsoortig lichaamsgebrek reeds in de wereld treden, dan lijdt het wel geen tegenspraak, dat ons lichaam zijn heerlijkheid derft. Maar sterker nog komt onze versmading uit in de machteloosheid, waartoe we wegzonken. Te heerschen, heer te zijn, is het onmisbaar bij
lichamelijk schoon in gestalte en vorm.
kenmerk van „heerlijkheid." Dienovereenkomstig bestemde God den mensch tot heer der schepping. In hem eerst vond de schepping haar kroon. D. w. z. met koninklijke meerderheid en koninklijke majesteit bei moest de mensch de schepping beheerschen. Beheerschen in heel haar omvang, in elk harer rijken, op elk terrein. Vrij moest hij staan tegenover de elementen der natuur, tegenover de kracht der aarde^ tegenover plant en dier. En omgekeerd, geen dezer krachten moest vrij zijn tegenover hem. En wat ziet ge thans? Immers dat al deze krachten en elementen macht hebben ontvangen over den mensch; dat de mensch hulpeloos tegenover alle staat en het brood van zijn spijze niet aan die aarde ontwringen kan, tenzij hij besluite zijn leven te doen opgaan in bemoeiing met het stof der aarde en ze bebouwe in het zweet zijns aanschijns. O, zeer zeker, er is ook thans heerschappij over de natuur, en niet, genoeg kunnen we de genade Gods danken, die weer door wetenschap en practijk een deel van onze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's