Honig uit den rotssteen - pagina 95
81 sten zin zóó bezig waren geweest en zoozeer „iets hadden uitgevoerd," dat als straks de fabriek een kunststuk aflevert, of het leger den slag
wint
binnen komt, niemand zeggen zal „Dat hebben die troepen of dat hebben die schepelingen gedaan!", maar ieder en een iegelijk zal getuigen: „Dat deed die (/ezayvoerder,'" „die veldheer won den veldslag," „die inge-' of
hebben
het
die
schip
veilig
arbeiders
of
:
dat
nieiir schiep dat kunstige product."
op aarde kan
lleeds
verroeren, en in
men dus
volkomen ruste
stilzitten,
dat
geen
lid
aan
zijn
lichaam
men
toch desniettemin zeer intensieven en zeer uitputtenden arbeid verricht en waarlijk werkt. De wijsgeer, de denker, de dichter, de staatsman en wie niet al, wien juist de edelere en fijnere uitingen van ons leven zijn toebetrouwd, werken reeds bijna geheel in uitwendige rust. Alleen dat ze even de lippen verroeren een paar vingers om de pen doen zijn,
;
drukken; of soms een blad omslaan.
Welnu, denk u diezelfde verfijning nu nog verder doorgezet. Stel u voor dat ook die lippen, die vingers, die zintuigen nog ontslagen waren van elke inspanning, en alles dus in ruste bleef, om alleen den geest werkzaam te laten, zeg zelf, hebt ge dan het denkbeeld van een volkomen rust die tevens de hoogste werkzaamheid is, niet reeds verwezenlijkt?
En als ge van daar uit nu in de geestesbezigheid van Gods kinderen indringt; indringt in den arbeid der zielen; en van daar opklimt tot het hoog en heilig bezig zijn in de ruste van den Sabbat: is het dan nog zoo raadselachtig, hoe er in den hemel daarboven een „eeuwige ruste" is, en hoe toch van die eeuwige ruste Jezus zeggen kon: „Mijn "Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook!" Hij, en dus ook mét Hem „zijn gezaligden?" Neen, arbeid in gewonen zin adelt niet „den mensch," maar „den zondaar.''^ Yoor een yevallen mensch is arbeid een heerlijk redmiddel, om Satan geen invloed op zijn vleesch, zijn zinnen en zijn hart te geven. Uit het Paradijs verdreven moet de zondaar in 't zweet zijns aanschijns arbeiden, als straf, doch met een straf die een zegen is tevens.
Maar „adel" is zulk een arbeiden voor ons niet. Veeleer is het de Gods kinderen, dat ze na gewerkt te hebben, telkens in de Sahhatsrusfe weer terugkomen tot hun eigenlijke eere, om reeds hier op aarde dien eeuwigen Sabbat aan te vangen, die hun hope en hun adel van
uitzicht
Dan
blijft.
er ruste; en, in die ruste zalige ontplooiing van krachten; en in die stille krachtsontwikkeling het groeien van den ceder en den palmboom in het huis des Hceren. En daarvan zegge de vreemdeling dan vrij „Die ceder doet niets", is
:
Il
6
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's