Heils termen - pagina 198
188 Hij welbehagen in ons had, maar deed zijn welbehagen op ons nederkomen, wijl de Zoon zijner eeuwige liefde, mensch geworden, in Bethlehems kribbe als onzer één nederlag. Het Welbehagen Gods rust, ook naar der Engelen melodie, uitsluitend op 's Vaders Eengeboorne en Eenverkoorne, en straalt op ons slechts af, voor zoover de leiddraad des geloofs is aangebonden, waarlangs het leven des Zoons naar
ons leven afvloeit. Dat de eindgalm van het lied der hemelsche heirscharen niet maar zoo kan, maar zoo moet verstaan woorden, blijkt uit de gebondenheid van dat welbehagen aan een bepaalden tijd. Eeeds uit de ontferming Gods aan de Vaderen verschenen, als de openbaring van het welbehagen nog toekomen zal en stofte is der profetie, blijkt dit. Eustte dat welbehagen op den ménsch als mensch, dan zou die gebondenheid aan een tijd onverklaarbaar zijn. De openbaringsterm „in den tijd des welbehagens," of „het jaar des welbehagens" eischt dus, dat, niet de Emmanuel om het op ons rustend welbehagen, maar het welbehagen om den tot ons neergekomen Emmanuel op menschen rust. Althans zoo men niet aarzelt te erkennen, dat niet van het Welbehagen Gods in zijn eeuwigen grond, maar van dit Welbehagen in zijn openbaring en verschijning sprake is. Naar die tijdsbepaling bij de verschijning van Gods Welbehagen, wijst de Schrift ons telkens heen. In lied 69 van onzen Psalm-bundel ontlokt David aan zijn harpe de profetie van verzoening, als hij jubelt: „Maar mij aangaande, mijn gebed is tot ü, o He ere! er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid uwer goedertierenheid!" (vs. 14). Jesaia predikt naar het hart van Jerusalem, in de Godspraak boven dit artikel geschreven „Alzoo zegt de Heere: in den tijd des welbehagens heb ik u verhoord en ten dage des heils heb ik u geholpen." (Jes. 49 8). Van dien dag zingt een ongenoemd Psalmist, als doorleefde hij dien reeds in dien geest: „Dit is de dag, dien de Heere gemaakt heeft." (Psalm 118 24.) In de schitterende orakelspreuken van Jesaia's slotprofetie getuigt de Messias van zich zelven, dat Hij van den Heere gezonden is, ook om „uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren en den dag der wrake onzes Gods." (Jes. 61 2), een aanwijzing straks herhaald onder de eensluidende bewoordingen: „Want de dag der wraak was in mijn hart en het jaar mijner verlossing was gekomen." (Jes. 63 Dat 4). voorts over den Messiaanschen zin dezer Godspraak geen twijfel kan zweven, blijkt uit het nooit genoeg te waardeeren feit, dat Jezus zelf in Nazareth's Synagoge na lezing van Jesaia's 61 Hoofddeel, plechtiglijk verklaard heeft: „Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld geworden." (Luc. 4 21), een plechtig Amen op de profetie, dat door Paulus slechts herhaald werd, toen hij aan de Gemeente van Corinthe schreef: „Ziet, nu is de wel aangename tijd, ziet, :
:
:
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's