Heils termen - pagina 82
:
72
Noach
binnen brengt: „Ik heb gesteld," maar ook hier klinkt het mensch, neem, eet." „Neem den beker en drink," ter gedachtenis." Ook dit Teeken wordt dus aan 's menschen doen gebonden, ook om dit Teeken openbaar te doen worden, wordt een daad van 's menschen zij vereischt. Evenzoo eindelijk is het bij den Doop. „Gaat heen en doopt in den Naam des Yaders en des Zoons en des Heiligen Geestes," is ook hier een lastgeving, die voor menschenooren gesproken wordt, opdat door zijn doen, door zijn bemiddeling, door zijn tusschenkomst het Teeken des te
u
tegen: „Gij „Doe dat mij
Doops zou Dit
ontstaan.
dat vooral bij vergelijking met het Noachitisch geloochend worden, hangt met den aard van het Heilsverbond op het innigst saam. Het draagt den naam van „Verbond" en wijst reeds daardoor op een verbinding, een vereeniging van God en mensch, die buiten dit „Verbond" niet meer bestaat. Het Oude Testament bracht reeds de belofte, dat deze Verbinding, dit Verbond, Israël tot Gods volk stempelde, in welks midden Hij woonde en zijn kracht deed, en klom zelfs reeds met hoogen graad van duidelijkheid en doorzichtigheid tot die nog nauwere verbinding op, die dan eerst ontstaat, als de zondaar een kind Gods is geworden en God hem weer in de glorie van zijn eenwig Vaderschap is ontdekt. Toch is het, of op de bergtoppen des Nieuwen Testaments een nog schitterender lichtstraal van dit Heil begluurd wordt, als onze goddelijke Verlosser al de diepte dier volheerlijke „Verbinding" uitspreekt in de hoogepriesterlijke bede „dat zij allen één zijn mogen. Vader! zij in Mij en Ik in hen!" Die volkomen weerkeerige doordringing van Christus en zijn uit menschen gevormde gemeente, behoort dus niet slechts tot het Heilsverbond, maar drukt zijn wezen en karakter uit. Daarom vormt de vleeschwording van Gods Zoon in de openbaring van dat Heilsverbond het middelpunt. Daarom is er geen Gemeente meer, zoo niet met hand en tand de heerlijke belijdenis wordt vastgehouden, niet slechts dat Christus waarachtig God en waarachtig mensch is, maar bovenal, dat beide de goddelijke en de menschelijke natuur in Hem één persoon toebehooren en zich uiten in één hooghoerlijk leven. Daarom eindelijk, is er bres geschoten in de vaste burcht onzer Christelijke Belijdenis, zoo men de erkentenis prijsgeeft, dat „de H. Geest te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God zij ;" want dingt men ook maar iets op de persoonlijke Godheid des Heiligen Geestes af, dan is de inwoning des Geestes in het hart slechts de werking eener goddelijke kracht, en wordt de volkomen hereening van den zondaar met den Heilige wel in naam, maar niet in werkelijkheid voltrokken. Niet inwerking van Gods kracht, verschil
Verbond
alleen
kracht,
niet
nu,
kan
gemeenschap met God is
maakt
zalig.
Hij
ons hoogste goed en het doelwit onzer beden.
zelf,
niet zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's