Dat de genade particulier is - pagina 214
204 slaat, ziel
en niet dan
die er was, er
Maar we mogen
hooge uitzondering bedoeld
bij
van
„alle levende
het daarbij niet laten.
Ook
tocb van dat „hij de zinvervalsching op
wijs
is
of er zijn zal."
is
is
voor allen gestorven" moet op gelijke
klare,
duidelijke
manier worden in het
licht gesteld.
En dan beginnen we al aanstonds met de opmerking, dat in de duizenden keeren, dat het woordeke allen, alles, al, enz. in de Heilige Schrift voorkomt, het in den regel zoo klaar als de dag aan den hemel slechts op een zóó klein aantal menschen of zaken slaat, dat het niemand, zelfs van onze bestrijders, ook maar een oogenblik in den zin zal komen, bij dat legio plaatsen aan „alle levende ziel die er was, er is en er zijn zal" te denken.
We hebben, dit zeggende, het oog op tweeërlei soort van zegswijzen, waarin het woord „allen" tepas komt. En wel in de eerste plaats al zulk gebruik van dit telwoord, waarbij het vóór een zelfstandig naamwoord staat. Zoo b. v. als er sprake is van „al de Levieten" (2 Sam. 15 24), „alle ingeborenen" (Gen. 17 22), „alle geburen" (Deut. 23), „alle gevangenen" (Gen. 39 1 14) enz.; waarbij een kind tast en 7); „alle vrienden" (Esth. 5 voelt, dat er volstrekt niet van alle „menschen" sprake is, maar juist integendeel van een klein kringetje onder de menschen, dat Leviet, ingeboren, gevangen, gebuur of vriend is. En bijna geheel hetzelfde geldt van de tweede soort plaatsen, waarop we doelden, en waarin achter „allen" wel geen zelfstandig naamwoord volgt, maar toch een rechtstreekscbe aanduiding van de bepaalde per„Vrede zij u allen, die in sonen, die men op het oog had. B.v. Christus Jezus zijt" (1 Petr. 5 14). „En allen die kranken hadden, „Allen, die het hoorden, verbrachten die tot hem" (Luk. 4 40) wonderden zich" (Luk. 1 66). „En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden" (Hand. 9 35). Waarbij het wederom klaar en doorzichtig voor een ieder is, dat niet „alle menschen" zijn bedoeld, maar uitsluitend die kleiner kringetjes onder de menschen, „kranken hadden", „in die „in Christus Jezus zijn", toentertijd :
:
:
:
:
:
:
:
:
:
Lydda woonden",
enz.
hiermee gelijk staan al de honderden gevallen, waarin bij het woordeke „allen" een soortgelijke bepaling is gevoegd, die duidelijk toont, dat in de verste verte niet aan „alle menschen, die er eens waren, er nu zijn en er eens zijn zullen" ook maar kan gedacht zijn. Zoo b.v. „Deze alUn waren eendrachtelijk volhardende in den gebede" (Hand. 1 14), waarbij ieder weet dat uitsluitend aan de „Wij zijn vergaderden in de opperzaal te denken valt. En zoo ook dan nu allen hier tegenwoordig voor God" (Hand. 11 33). „En Geheel
:
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's