Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 190

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 190

3 minuten leestijd

176

En

zie, nu zijn er tweeërlei De ééne soort hoorde dat

soort van menschen.

alles ook wel, kan er wel niets tegen maar wil er niet aan, en stelt nu een systeem op, om de ingang te doen vinden, dat de mensch volstrekt niet zoo, maar

inbrengen, leer

heel anders

is.

eeuw. een andere soort, die het wel schrikkelijk vindt, om te erkennen: „Zóó ben ik; ziilk een bestaan heb ik; zóó het innerlijk in der waarheid ook bij mij gelegen!"; maar die, is door het Woord bij Geesteslicht overtuigd, het dan toch doet; er voor uitkomt, dat de mensch wel waarlijk zoo is, toestemt, dat ze ook zelven zoo zijn; en overal en op alle manier den valschen waan, alsof de mensch anders en beter zou wezen, weerstaan en bestrijden. Dit zijn de dwazen naar de wereld. Zijn niet die laatsten er het best aan toe? in het licht van het Zij immers zijn ze die wandelen in het licht; goddelijk aanschijn; en bij dat licht aan zichzelven ontdekt wierden. Zij zijn de oprechten, die er voor uitkomen zooals het bij hen is, en ontkomen zijn aan de bange noodzakelijkheid, om altijd iets te verbloemen of te verbergen. Zij zijn de gespeenden aan alle teleurstelling, want wetende wat in den mensch is, hebben ze niets van den mensch verwacht; in niets op het schepsel gehoopt; eer gedacht en gemeend, dat nog erger hun

Dat

zijn

de

Maar ook.

wij een dezer

God

zij

lof,

van het schepsel overkomen zou. zelfs de verzoeking tot veinzerij niet, want in hun oog wegwerpelijk kleed, en slechts het Geesteswerk in hen een werk dat bestaan kan voor God. zijn de nuchteren, de wakkeren, die met heldere open oogen Zij in de wereld omwandelen en achter al de schermen en door al de voorhangsels en bedekkingen, klaarlij k zien wat er op den achtergrond woelt en werkt in het hart des menschen, en daarom zooveel strijd en zooveel moeite niet hebben, om hooger op te zien naar dat beter Jeruzalem, waarvan de opperste Kunstenaar en Bouwmeester God is. eindelijk, ze voelen eiken morgen en eiken middag en eiken Zij avond, dat ze weg zijn, als de Heilige Geest van hen weggaat, en dat ze zonder dien inwonenden en in hen werkenden Geest, gelijk zijn aan een lamp zonder olie, aan een boom zonder mergsap, aan een werktuig zonder stoom, die het aandrijft, en die daarom maar één kracht en maar één werking kennen te gelooven, en door dat geloof aan die werking der drijvende kracht van den Heiligen Geest

kennen

Zij

is

alles

een

:

hun

aan te sluiten. voegen er nog bij. Zij zijn van dezulken, die er niet zooveel strijd over hebben, om als hun Koning roept, uit deze zondige menschenwereld naar de heilige menschenwereld der gezaligden om Gods troon ziel

We

te verhuizen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 190

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's