Heils termen - pagina 141
131 zielsleven
nu
daalt
het
bewogen op
in
tot
persen
dat
een besef van den peilloozen eeuwigen nood. En waar van den nood zich in een roepen om genade oplost,
licht des Geestes van den Hooge neder, kiest God hun fel hart tot instrument zijns Heiligen Geestes, en trekt Hij hen
een
van
klaarheid
van
schittering
alles
omvattende beschouwing, die hen de
Gods
hun
heilige belofte zichtbaar maakt, en woorden op lippen legt, die zeer verre uitgaan boven alles, wat eigen inzicht
hen
kan doen
Patriarchen,
We
behoeven slechts aan den eersten der moeder en aan den koninklijken psalmist elk kenner der Schrift te overtuigen, hoe de vereigen smarte steeds hand aan hand gaat met de
verstaan.
aan
Samuel's
te herinneren, om dieping van hun volle openbaring, die hun wordt betrouwd. Geldt het dus allereerst van de „Wolke der Getuigen," dat ze door lijden geheiligd is, dan kan, dan mag dit niet in anderen zin verstaan worden, dan dat ze door lijden in die diepten van den nood zijn geworpen, waarin der ziel eerst de vatbaarheid geboren wordt, om de heerlijke Belofte van
Gods genade
te verstaan.
weg de Belofte geopenbaard en voorbereid, langs anderen weg is ze in Christus vervuld. Hij „de Overste Leidsman en Yoleinder des Geloofs heeft voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis verdragen en de schande veracht, en is thans, als gevolg daarvan, gezeten aan de rechterhand Gods." Natuurlijk, van den Zo,ne Gods als het eeuwige Woord is hier geen sprake. In dien zin had het woord „Geloof" recht noch reden. Voor den Zone Gods is de „heerlijkheid" geen toekomstige schat, waartoe Hij ingaat, maar eeuwig bezit. Den Hoogepriester geldt dus het Schriftwoord, waarop we wezen; Hem, die mensch wierd, en inging in ons vleesch en bloed Hem, die, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft. En dan was er in Christus niet slechts geloof, maar kan er geen geloof in ons zijn, tenzij aan het zijne ontleend. Dan is Hij niet als bezitter van het eeuwige tot ons gekomen, maar heeft Hij dat eeuwige om onzentwil afgelegd, om het nu ons ten goede te verwerven langs dien weg, waarin het door ons moest worden gezocht. Gelijk wij het zouden moeten grijpen, zoo heeft Hij het voor ons gegrepen. Op de plek waar wij stonden met ons ledig hart, ging Hij staan in onze plaats, om het van daaruit ons te verwerven. En welke is nu die weg, waarlangs de Christus uitgaat, om de volheid der Godsbelofte, d. i. de eeuwige heerlijkheid te grijpen? Immers geen andere, dan die reeds in de Wolke der Getuigen was afgeschaduwd, de weg van lijden en nood. Hij brengt verlossing, Hij Is
langs
dien
geen
;
is
de
Yerlossing
eerst ervaren
verlossen
zelf,
wat het
kan.
Hij
maar wederom,
om om
Dood werpen,
is,
maar om het uit den nood
te
tot
kunnen
Hem
te
moet Hij zelf roepen, die alleen
zijn,
brengt opstanding. Hij is de Opstanding zelf; het te kunnen zijn, moet Hij zich zelf eerst in den de kracht des eeuwigen levens te grijpen, die in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's