Dat de genade particulier is - pagina 146
136 grooter en sterker daa zijn berijder, en toch wien zou liet in de gedachte opkomen, naar die wetten van maat en gewicht beider onderlinge verhouding te bepalen?
wel
veel
ooit
We
daarom met stille kalmte die mannen der lagere wetenuitmaken wat zij kunnen uitmaken. Maar metend met geheel ander, met geestelijk, ja goddelijk meetsnoer, blijven wij met Gods Woord belijden, dat het heelal dm deze wereld bestaat en die wereld om den mensch, opdat door dien mensch die wereld en door die wereld dat heelal eere en lof en glorie zou geven aan het eeuwige Wezen, dat, aller dingen Oorsprong en aller goeden Sprinkader, even deswege ook aller dingen Einddoel en aller wezens Oogmerk moet laten
schappen
zijn.
En eerst als ge daarin doordringt, gevoelt ge dan nu immers ook, hoe lief God die vjereld moest hebhen, die wereld, om wier wille Hij zijn gansch heelal had geschapen? En, meer nog, wat teedere zorge, ingenomenheid en wat genegenheden er bij den Drieëenige voor den mensch óp die wereld moesten zijn die mensch, aan wien God én de wereld én dat heelal had overgegeven, om door den mensch van alle ding de vrucht des lofs en der aanbidding en der toewijding te ontvangen. Maar zoo ook eerst kan het u duidelijk worden, wat ontzettende, ontzaglijke, onafmeetbare verantwoordelijkheid er op dien mensch rustte, om zoo heiligen toeleg niet te doen mislukken. Koos toch die mensch tegen God, dan ontstond maar niet het kwaad, dat hij van zichzelf het geluk afstiet. Maar veelmeer nog dat hij het soort van mensch bedierf en in één daad alle mensch die er ooit komen zou, ontmenschte en tot zondaar maakte. En even daardoor, wat nog meer zegt, dat heel het samenstel der wereld een van zijn spil gegleden rad werd, en door dat mislukken van heel de wereld, het gansche heelal, Gods gansche groote schepping, ontzonk aan haar hoogheilige bestemming; en al het werken Gods, waarbij de morgensterren gezongen hadden, als één mislukking, lastering over den naam des Heeren brengen zou, in stee van een vrucht voor zijn :
glorie. Zie, op dat standpunt moeten we eerst staan, om van uit die hoogte in de onpeilbare diepte der genade in te staren. Maar vooraf, eer we daartoe overgaan, zij het u nogmaals bij al wat heilig is, afgevraagd: „Wat zoekt uw oog voor alle dingen in die ondoorgrondelijke diepte? uzelf? of de glorie van uw God?"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's