Honig uit den rotssteen - pagina 139
!
125 van Christus, ook onder zijn hoog opgeven van hun Christelijke gestalte, en bij wie toch, zoo niet alles, dan toch o, zooveel er door kan en die daardoor in hun heele omgeving de Christelijke consciëntie verzwakken, naardien de jongeren dan zich gaan inbeelden, dat het wezens,
ten
allen
tijde
kerk
de
in
Menschen
geweest.
belijders,
die
;
in dien kring der Christenen volstrekt niet naar zoo hoogheiligen maatstaf behoeft toe te gaan. Daarom is het noodig dat deze witgepleisterde graven worden ingetrapt. Eerbied er voor komt niet eens tepas. Men moet ze een-
voudig
doodsbeenderen
„de
van
binnen"
laten
zien.
En daarmee
moet het uit zijn Dat is dan ook
het hooge doel van wat het Woord telkens en telkens zoo snijdend over deze doornen en distelen in den geestelijken hof uitspreekt en dit legt wederom aan alle predikers van het Woord ;
en aan
organen van het Getuigenis, den onafwijsbaren plicht op, om deze zedelijke monsters te ontmaskeren, en het hun openlijk aan te zeggen: „Weg van uw gevloekte lippen met die heilige belijdenis! Weg met dat kruis van Christus uit uw onreine bezoedelde hand!" Want versta het wel, lezer! „Wandelen in de duisternis!" dat is aan de duisternis lust hebben. Evenals een ander in de koestering der zon gaat loopen, omdat die warmte hem goed doet en weldadig aandoet en verkwikt, zoo nu opzettelijk in de duisternis gaan schuilen en wandelen, omdat die duisternis het schrijnen van de wonde verzacht, den gruwel van binnen bedekt en het wezen der duisternis in ons sympathetisch toespreekt. In de duisternis wandelen d. i. God mijden en het er op toeleggen om ons te onttrekken aan Gods oog. Het is een verloren zielstoestand, waarin we evenals de nachtvogels nog een oog hebben, dat wel in den donker kan inzien, maar dat het licht niet verdragen kan. Het wil zeggen, met zijn onbekeerd en onberouwelijk hart nog broeden in het verborgene en zijn vermaak hebben in de donkere paden. En dan kan er wel geestelijk gepraat en gebed zelfs en bemoeiing met heilige dingen bijkomen, maar dat is dan óf nawerking van gewoonte, óf louter gevoelswerk en spel der hartstochten, of, erger nog, huichelarij met voorbedachten rade, om invloed op anderen te hebben; om voor zijn Ifooze streken vertrouwen te winnen; óf ook in den dunk: „Misschien dat God me om dat vrome schijntje in mijn doodssnik nog begenadigt!" alle
Gods
Kinderen en
valsche
ieder half
te
en
zucht
nu wandelen
om
in dien zin in de duisternis nooit, Schriftwoord een toepassing op een nooit verleiden, om te doen denken, dat men
uit
maken, raag wandelen kan
half
elk
;
's
morgens in het
licht
en
's
avonds in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's