Honig uit den rotssteen - pagina 195
;
181
„Ongemengd" heeft de wijn des toorns nog nimmer geschuimd in den kelk des lijdens of in den beker der kastijding, u of mij op de hand en aan de lippen gezet. En hoe bang het ons ook soms te moede was, hoe ook onze gejaagde en door onweder voortgedrevene ziel zich soms van siddering en angst in de spleten van den rotssteen verstoken hebbe, toch was dat nog nooit anders dan een zadit mengsel van Gods heiligen toorn. Eenige druppels van zijn brandende grimmigheid, maar in volle teugen van zijn goddelijk erbarmen gebluscht! o, Hoe wordt dan niet door die ééne gedachte van den ongemengden wijn die komt, Gods liefderijk ontfermen teeder en ons eigen morren tegen den prikkel in, diep schuldig voor onze ziel. Onzer was de overlegging, dat God het ons zoo moeilijk maakte aan zijn ontferming te gelooven, omdat zijn toorn zoo fel ontbrandde in de plage der volkeren, in de benarring onzer vrienden en in de wonden geslagen aan ons eigen hart. Zoo donker zelfs scheen ons niet zelden de wolk van zijn heilig misnoegen, dat alle goddelijks in Gods wezen voor ons schuil ging, en we onze ziel geweld moesten aandoen, om desniettemin het Abba, Vader, over de lippen te laten komen. Het was of de Heere onze God zich met zijn mogendheid aan ons maakte, zich als een leeuw die verscheuren wil op ons als zijn prooi wierp, en bij wie het aanzagen de vraag deed omgaan Is er dan bij God geen mededoogen? Ja, erger nog, soms kon die benarring en toemuring van rondom nog bovendien gepaard gaan met zoo doodelijke vermoeidheid van ziel, met zoo bange geestelijke verlatenheid, en met zoo beklemmende innerlijke doodsangsten, dat we dachten, dat nu wel al Gods golven en al Gods baren over ons heengingen; dat we, met de ziel, in Zoo kan ik het niet meer uithouden opstand, het uitschreeuwden en dat het kind van God ten slotte zelfs in den diep zondigen toestand geraakte, om bij menschen beklag tegen zijn God te zoeken, „Zou God en handenwringend het als aan Gods engelen te vragen zijn gena vergeten; nooit meer van ontferming weten; heeft Hij zijn barmhartigheên door zijn gramschap afgesneên?" :
:
:
Ea toch terwijl onze ziel door die godslasterlijke gedachte zich bezondigde en opstond tegen den Ontfermer en één morren en. muiten, één woelen en wroeten tegen den Almachtige van binnen was, wat deed uw God toen? Wat uw God toen deed? Hij mengde maar aldoor wat onvermengd u zou verteerd hebben. Hij was bezig, terwijl gij Hem vermoeidet met uw onmanlijk en karakterloos klagen, aldoor bezig, om in den beker van zijn toorn de wateren zijner barmhartigheid te mengen. Niet Hij had dien toorn opgewekt. Gij hadt dat zelf door uw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's