Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 197

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heils termen - pagina 197

3 minuten leestijd

187

VIL

IN

MENSCHEN EEN WELBEHAGEN! In den tijd des u verhoord.

welbeh agens heb ik Jes. XLIX 8. :

Engelenlied „in menschen een Welbehagen" schijnt paradox, een uitspraak, die zich zelf weerlegt, een saamvoeging van twee elkaar uitsluitende en opheffende gedachten. Onderstelt welbehagen in het voorwerp onzer liefde iets aantrekkelijks, iets dat boeit, ons behagen wekt en ons inneemt, hoe laat zich dan de gedachte aan Gods welbehagen rijmen met het volstrekt nietige in den mensch ? Van tweeën een of men moet de volstrekte zondigheid des menschen prijs geven, óf het lied van „in menschen een welbehagen" wordt meer een ons toegebeden wensch, dan een goddelijke profetie, wier vervulling we mogen beiden. Dat God zich mijner ontfermt, het is wel te veel, het gaat wel de gedachten mijns harten te boven, het zal mij wel de stoffe vormen voor een jubelend danken, dat geen eeuwigheid ten volle uitput, maar toch zulk een ontferming laat zich om het geloof denken, wijl ze juist mijn volstrekte onwaardigheid onderstelt en uitsluitend door liefde van Gods zij wordt bewogen. Maar dat op mij, voorwerp eener eeuwige ontferming, meer nog dan de hemeldauw der eibarming, dat op mij Gods liefde, ja nog sterker, dat het welbehagen Gods zegenend op mij rusten zou, dat 's Heeren „vermaking" en de „verlustiging" van den driemaal Heilige in mij zou kunnen zijn, als ontdekte zijn aldoorborende blik in de diepten mijns inwendigen levens, in de verborgen schuilplaatsen van mijn nog niet ontsloten wezen, of wilt ge, in de geheimzinnige plooien mijner ziel, een iets, hoe gering, hoe nauw bespeurbaar ook, dat Gode vermaak gaf, dat den Heilige Israëls behaagde en waardoor zijn welgevallen werd uitgelokt, reeds die gedachte schijnt zoo beleedigend voor 's Christens ootmoed, zoo zijn levendigste zielservaring weersprekend, kortom zoo indruischend tegen al wat hem van kennisse Gods en kennisse aan zichzelf openbaar wierd, dat een geslacht wel geesteloos, een prediking wel dor moest zijn, die in dit „Welbehagen" zichzelve kon behagen en van dien strijd niets ervoer. Ter oplossing van dit raadsel, ter verzoening van dezen strijd, verzetten we ons daarom tegen de maar al te gangbare opvatting van het Engelenlied, als ware dit slotrefrein: „In menschen een welbehagen" van een zeker onvoorwaardelijk welgevallen te verstaan, dat Vader, Zoon en Heilige Geest in den mensch als mensch zouden hebben. Het kindeke in de Kribbe is niet uiting, maar grond van Gods welbehagen in menschen. Hij zond ons den Zoon, niet wijl

Het

een

:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 197

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's