De leer der Verbonden - pagina 46
36 der liefde, der bewondering en der aanbidding in u gloort, de zetel van uw teederder aandoeningen, heel dat rijke, heerlijke leven, dat ge of althans in als mensch in onderscheiding van alle andere schepsel,
hooger, edeler zin bezit.
En nu vragen we: Is het denkbaar, uw menschelijke persoonlijkheid, dat uw
dat het grovere,
uw
ruwere aan
bloed en de trekking uwer spieren rechtstreeks en elk oogenblik aan God zou hangen, en dat het edelere, fijnere, teederdere drijven zou op de troebele wateren van een zondig hart? Dat kan niet. Daar komt heel Gods heilig Woord tegen op. Daar teekent de bevinding van heel Jezus' kerk en van elk van Gods kinderen protest tegen aan. Neen, indien er eenige ontferming, indien er vatbaarheid voor iets beters, soms zelfs een dorsten als van het hijgend hert in ons is, dan komt U daarvan, U alleen de eere toe, o Koning onzer ziele, en trilt dit edelere geen oogenblik, geen blik der oogen, in ons, zonder uw rechtstreeksche, uw algenoegzame, uw ons doortintelende en ons bezielende kracht! Een grens is er dus niet. Er gaat nergens, nergens, een lijn, hoe flauw ook, door ons men„Wat nu links van die schelijk wezen, waarvan we zeggen konden: lijn ligt werkte God en wat rechts daarvan ligt droeg ik zelf." Weg, weg met die onheilige meening, alsof God de Heere een God zou zijn, die zoo nu en dan maar eens even ons aan zou raken of de hand naar ons zou uitstrekken, en buiten wiens rechtstreeksche bemoeiing om, we voorts de meeste dagen onzes levens zouden voorttobben. God de Heere draagt elk zijner schepselen; draagt elk zijner schepselen van oogenblik tot oogenblik; en nooit, nooit is er een schuilhoek in hun hart of trilt er in dien schuilhoek een werking, of het op datzelfde oogenblik zijn algenoegzame, zijn almogende kracht, is die ook daar tegenwoordig is en ook tot die werking in staat stelt en bekwaamt. En voldaan zal ons denken, zal de rede in ons, maar zal |eel meer nog de eisch van Gods Woord en van het leven der aanbidding eerst dan zijn, als we, na uitwissching van alle willekeurige grenzen, Godes alomtegenwoordigheid inderdaad en waarheid ook ten opzichte van ons zelf zullen? beleden hebben, en tot de erkentenis zijn gekomen: „Alomtegenwoordig de Heere der heirscharen óók in mijn lichaam, in mijn bloed, in mijn hart daarbinnen!" Het eerste onzer geloofsartikelen: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige!, o, zeg het, volk des Heeren ligt reeds daar eigenlijk niet alles in? Geen macht, geen schijn van macht, zelfs óók in mij, dan door Hem, den ^/machtige, gedragen! In die belijdenis kan men dus nooit te ver gaan. Veeleer mag niet gerust, eer die lijn tot den einde toe is afgeloopen. De werker, de
—
stof,
!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's