Het heil in ons - pagina 54
44
Ten tweede, is het gemoed de schatkamer van onze levensindrukken. Onze liefde, ons geloof, onze hoop, ze worden in die schatkamer beAvaard. Wat het geheugen voor ons denken doet, doet het gemoed voor het leven van ons hart: het bewaart wat wij onder de gedurige wisseling der indrukken te loor zouden doen gaan. Wat smart of vreugd, verdriet of opgetogenheid, angst of schrik, een aangrijpend woord of indrukwekkende droom, een raadselachtige ontmoeting of
bejegening in ons werkten, bezinkt in den stillen stroom van ons gemoedsleven en blijft daar voortgisten, ook als wij er niet meer om denken. De heilige indrukken van ons gebed liggen in die diepte weggezonken, met de jammerlijke nawerking onzer zonden. En nu, ook die schatkamer wordt bij of door onze wedergeboorte niet leeg gemaakt om ze met een geheel nieuwen inhoud te vullen. Ook wat daar lag opgetast, blijft. Zoo na als vóór onze wedergeboorte ervaren we de werking van in ons vroeger leven ontvangen indrukken. Het verworven bezit blijft, maar het gebruik er van wordt gewijzigd. Na de wedergeboorte let men meer op wat daar binnen verzameld werd en de eerst doode schat werd een levend bezit. Men gebruikt dien schat niet meer als eertijds, ter prikkeling van hartstocht en opwekking van onheiligen zin, maar leerde schiften en onderscheiden en elk deel van dien schat voor zijn doel aanwenden. Het bleef het oude en toch is het nieuw geworden, wijl men het met een ander oog beziet, met een andere hand aanraakt, voor een geheel ander doel bepijnlijke
steedt.
Ten
wezen we
gemoed de woonstede is voor waar men tot ik is doorgedrongen komt men aan de eigenlijke kern der wedergeboorte. De dubbele levenssfeer zoo van het gemoed als voor het uitwendige en de instrumentatie, die we voor beide ontvingen, worden door de wedergeboorte wel veranderd in richting, in orde gesteld en tot harmonie gebracht, maar toch niet in eigenlijken zin wedergeboren. Wat wederom geboren wordt is dat ik. Nog eens is het dezelfde persoon, die ter wereld komt, nog eens hetzelfde oog, dat het daglicht ziet, maar die zelfde persoon is in den diepsten grond nieuw geworden. Niet alsof het oude ik uit hem werd weggenomen, om er een ander ik voor in stede te brengen. Voor zoo mechanische, werktuiglijke daad is in het werken Gods geen plaats. Neen, maar dat ik, dat dood was, met een wortel uit zijn levensaarde in God getrokken, speelbal van zijn instrumenteering, een uurwerk, waarvan de spil wel trilde en slingerde, maar dat niet liep, dat ik werd in de wedergeboorte levend gemaakt, met zijn wortel in de moederaarde van het leven Gods gezet, meester over de instrumentatie van zijn aanleg, en trad uit het doelloos slingeren over in den vasten gang. Als men door gepraepareerd metaal een electrischen stroom laat gaan, wordt het magnetisch, begint het te werken en trekt het aan. Eerst was het dood. De ijzerstaaf lag er ons
slotte
eigenlijk
ik,
en
er op, dat ons
eerst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's