Dat de genade particulier is - pagina 113
1Ü3
Bovendien geheel dedigen.
het
stelle
niemand
zich aan, als behoefde hij tegenover ons
karakter
tijdelijk
van
dat
vo/A:sparticiilarisme
te
ver-
Ieder weet toch en ook wij belijden volmondig, dat Israëls roeping van den Sinai tot aan Bethlehem slechts een voorbereidend karakter had en doelde op de zegening aller volken. Slechts hoiide
men
En
eerste,
wel
ten
daarbij
dat
tweeërlei scherp in het oog: particulier karakter der genade óók
het
onder Israël nog een anderen en een geestelijker toon liet hooren, dan in het z?o/A;sparticiilarisme te beluisteren viel; gelijk onder de ingeving en aandrift des Heiligen Geestes zoo voldingend door Paiilus aangewezen, zoo dikAvijls hij het „Israël Gods" als kern losmaakt is van het „Israël naar den vleesche". Maar dan ook niet minder, dat, naar de Heilige Geest ons onderwijst, „juist deze verborgenheid verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, t. w. dat ook de heidenen zijn mede-erfgenamen en van hetzelfde lichaam en mededeelgenooten der beloften in Christus."
In strijd met de zeer duidelijke onderwijzing des Heiligen Geestes vermeet zich dus een iegelijk te leeraren, die het doet voorkomen, alsof de doorbreking van het heil tot de heidenwereld reeds de eerste plaats had bekleed in het bewustzijn der oude Kerk vóór Christus' geboorte.
Dit Wij
is
niet zoo.
met de vervulling voor oogen, deze heerlijke ontplooiing van Gods doen aanschouwen, mogen nu gereedelijk tal van punten op kunnen sporen, waarin dit heerlijk denkbeeld zich uitsprak, maar in die donkere eeuwen zelfs was het ook maar eenigszins klaarder inzicht in zoo schoone toekomst aan hén voorbehouden, die als zangers zongen of als zieners profeteerden onder aandrift van den die,
HHligen
En
Geest,
al geven we toe (wat we volmondig erkennen) dat in het Messias-geloof voor elk geloovige in kiem dit rijker denkbeeld school, dan nog staat het met den Efezer-brief voor oogen onomstootelijk vast, dat de heidenen het niet hebben geweten; dat de heidenen buiten de genadebedeeling hebben gestaan; en dat zelfs de beteekenis zelfs,
van Israëls schepping eerst na den Pinksterdag allengs aan de volken geopenbaard. Zij die de „algemeenheid der genade voor elk geboren menschelijk wezen" leeren, zullen dus met deze feiten voor oogen, óf hebben aan te toonen, dat er aan de millioenen heidenen die vóór Jezus' geboorte heenstierven, in zeker soort vagevuur nog mededeeling van de ook voor hen bestemde genade is gedaan; óf wel hebben te erkennen dat althans deze menschenmassa van het genadeverbond, naar luid der Schrift, was buitengesloten. is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's