Honig uit den rotssteen - pagina 89
:
75
Of
heeft
dan
uw
Heiland en
zelf die en2;clen niet orobniikt
om hem
om
liem te
ondersteunen in Gethsémané? En meer nog, heeft die Vorst van 's hemels legermacht niet, toen „Uw wil geschiede hij ons bidden leerde, zelf er die bede bijgevoegd op aarde gelijk in den hemel P'' Daarmee toch zeer stelliglijk doelende juist op der engelen volvaardigheid in 's Heeren dienst? En hoe nu zou in uw bidden, kind des Koninkrijks, die bede: „Laat mij doen wat uw engelen doen," ooit als waarheid en ongezocht op de lippen kunnen komen, indien een kind des Heeren met dat engelenleven geen bemoeienis had, en zich niet telkens verlustigde door het indenken, hoe eiken dag en eiken nacht die engelen 's Heeren wil ook aan zijn persoon ten uitvoer leggen; om hem zijn; en schitteren in heiligheid voor het oog des Eeuwigen? Dat laatste was het dan ook vooral wat Ezechiël in die zalige cherubijnen boeide en wat hij zoo keurig uitdrukte in deze woorden „Waarhenen de Geest ging, gingen zij !" Nu dat noem ik eerst „navolgen!" Als er iemand voor u uitgaat, dan blindelings volgen, keeren als hij keert, omzwenken als hij zwenkt; staan als hij staat, en versnellen de schreden als hij zijn voetstap ijlen laat. En vastelijk raag beweerd, dat Ezechiël, die van Gods engelen schreef „Waarhenen de Geest ging, gingen zij!" vrijwat dieper en wat beter de „navolgingc Christi" heeft verstaan, dan de aandrijvers die ons maar aldoor prikkelen, om Jezus te imiteeren. „Jezus imiteeren, Jezus nadoen !" Waar onze ziel toch op blijft antwoorden: „Wie is hiertoe bekwaam!" Neen, dan liever ons aan die cherubijnenordinantie gehouden, aan die vaste legerorde van de heirscharen des hemels: „Waar de Geest !" gaat, gaan wij dienen
in
de
woestijn
te
:
:
Want
is heerlijk gaan. Als ge nooit aarzelt, nimmer weifelt, ge goed gaat, daaraan dat ge maar ziet, of ge den Geest nog in het oog hebt. Dat is zalig leven, als het geestelijk nooit tegen den adem des Geestes in gaat, maar Hij, de Heilige Geest, altijd voor ons uit zichtbaar is en wij altijd voor wind en tij meê afdrijven. Ja, dat is koninklijk zalig, wij nooit hoeven te roeien en als nimmer ons hulkje hebben voort te trekken, en nooit de machine daarbinnen onder stoom hebben te brengen, maar altijd in het trekken !" des Geestes meê worden gezogen. „W'aar de Geest gaat, gaan wij Wat levensregel der godzaligheid ligt daar niet in? Gij aarzelt en vraagt weifelend: „Zal ik dit doen, of zal ik dat laten? Dien wt^ inslaan of ginds langs trekken? Nog wachten, of nu reeds toetasten?" en immers bij dat alles heeft uw ziel dan maar als te rieken, of de frissche adem des Heiligen Geestes op dat pad, in dU' zaak, in yenc richting voor u uit ging. En dat speurt een kind van God, heusch, wel. Hij die geestelijk is en alle dingen geestelijk onderscheidt.
altijd
dat eerst
weet
of
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's