Heils termen - pagina 129
119 wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus, tot goede werken, die God voorbereid heeft opdat we daarin wandelen zouden." Twijfel laat deze betuiging niet toe. Ze verklaart ons de heiliging, want er is sprake van de ontplooiing des nieuwen schepsels in Christus. Die heiliging is in nog onvoltooiden zin genomen, want er liggen nog goede werken voor ons bereid, waartoe we nog niet
waarin we nog wandelen moeten. Eindelijk, het wangerechtigheid wordt als onmiddellijk uitvloeisel voorgesteld van onze nieuwe schepping in Christus. Hiermee stemt onze verklaring van „heiligen" volkomen overeen. „Heiligen," zoo schreven we, is niet een vermeerdering van het heilige in ons, maar een voortgaande losmaking van het kwade, waarmee onze heilige, nieuwe persoonlijkheid in Christus aanvankelijk vermengd is. Het verschil tusschen beiden is tastbaar. Zoek ik de heiliging in vermeerdering van het heilige in mij, zoodat nieuwe kracht aan de oude wordt toegevoegd, en telkens een nieuw bestanddeel het reeds bestaande komt vermeerderen, dan is het feit der bekeering uit zijn middelpunt gerukt, blijft voor de eeuwige daad Gods geen plaats over, en moet bij verdere ontleding onze belijdenis al meer overvloeien in het stroombed der wereld, dat in heiliging en ontwikkeling van ons natuurlijk leven het middel ter zaligheid biedt. Daarmee echter, het spreekt van zelf, is het Christendom als genadeopenbaring, als wonder van Gt)ds Barmhartigheid, als eenig redmiddel ter behoudenis, verworpen en vernietigd. Zeg ik daarentegen: De wedergeboorte is een eeuwige en dus in zich zelf voltooide daad, die, voor toeneming en herhaling onvatbaar, slechts daarom een proces doorloopt, wijl ze zich vermengt met een ander leven, waarvan ze zich door voortgaande loutering moet afscheiden, dan is er evenmin stilstand, dan is er evenzeer geestelijke wasdom, maar blijft het Christendom ongedeerd en ongeschonden als de volstrekte Openbaring Gods voor mij staan. Eeeds het begrip van Schep per dwingt ons het eerste te verwerpen en het laatste vast te houden. Men is gewoon scheppen als een „voortbrengen uit niets" te beschouwen. Dit kan ten goede bedoeld zijn, maar kan ook tot misverstand leiden. Vat men dit voortbrengen uit niets op in tooverachtigen zin, alsof het door niets tot iets werd gemaakt, dan is deze opvatting diep onheilig, met de Schrift in strijd, en leidende tot loochening van Gods eeuwige kracht. De Schrift leert ons, dat de majesteit van Gods scheppende kracht daarin te aanbidden is, dat Hij ter voortbrenging van het zijn
delen
ingegaan, in
Gods
niets zichtbaars behoeft. „Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden." (Hebr. XI 3). Hieruit volgt, lo. dat alle dingen door het Gods gemaakt zijn, en 2o. dat hetgeen gezien wordt, gemaakt is uit zichtbare
:
Woord
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's