Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het heil in ons - pagina 256

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil in ons - pagina 256

3 minuten leestijd

346 volkeren en geslachten, de patriarchen vóór en de patriarchen na den Zondvloed, en eerst dan put ge den diepen zin van dien schoonen klank „het menschelijk geslacht" uit, zoo ge alle eeuwen saamvoegt en naar breedte en lengte met uw blik omsluit al wat mensch op alle

aarde heette.

En die menschheid zoekt een Hoofd! Maar dan ook zulk Eenen, die even na staat aan de eeuw waarin Abraham zijn tent opsloeg, als aan de eeuw waartoe wij behooren^ kind niet van dezen tijd, of den tijd die voorafging, maar kind der eeuwen, zoon niet van het geslacht dat was, maar zoon van alle geslachten saam, een Zoon der menschheid, of wil men Zoon des menschen. De aaneenschakeling is licht te overzien. De kleinste kring vereend in het huisgezin, met tot natuurlijk hoofd den vader des gezins. De tweede kring verbonden in het volk met tot hoofd den koning. Maar nu, de derde kring, die alle volkeren saam omsluit, de menschheid ... en haar natuurlijk Hoofd Neen, niet uw Caesar, die de natiën slechts voor een deel, slechts voor een korten tijd saamsnoert door zijn ijzeren vuist Maar wie dan? En bij dat vragen staren de volkeren elkaar verlegen en verbijsterd aan, maar vinden geen antwoord. De menschheid verloor haar Hoofd. .

.

.

.

.

.

Dat Hoofd is er niet. Yandaar de innerlijke gisting en ontbinding, waaraan ze ter prooi is. Ze werd van een levend, bezield, tot krachtige eenheid saamgesloten lichaam een doode, ziellooze, aan ontbinding ter prooi gelaten romp. Zoo kwam het dat verwarring de orde des zedelij ken levens, afstooting de aaneensluiting verving, of wat hetzelfde is, dat er haat in stee van liefde kwam. In het levend lichaam zijn alle leden saamverbonden, trekt het eene naar het andere en is er een eenheid des lijdens en des genietens. In het lijk, in den romp, daarentegen scheiden de deelen zich af, trekt

lid

alles uiteen,

heerscht ontbinding.

Die macht der ontbinding, voor haat en wrok en nijd slechts een andere naam, is den enkelen mensch te sterk. Hij kan er niet tegenop. Het hangt maar niet af van zijn wil, om het leven der liefde en der eenheid te doen terugkeeren. De liefde, die hij mist, inroepen, kan hij ze dwingen, dat ze kome, niet. Die innerlijke tegenstrijdigheid benevelt. Zoo sterk, dat men Gods Woord met zijn „hatende en malkanderen hatende" niet gelooft, en als een verfoeisel een Catechismus wegwerpt, die leeren durft, dat we van nature geneigd zijn eikanderen te haten. Het is wel zoo. Men ziet het wel aan zijn kinderen. Men merkt het wel op de straten. Men vindt het wel zoo in zijn levensontmoe:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's

Het heil in ons - pagina 256

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's