Dat de genade particulier is - pagina 202
!
192
En
dat zou
men Gode dan toedichten in naam van diezelfde
Gode toedichten van
Job
vermeldt:
„In
alle
deze dichtte Job
Schrift,
Gode
die het ter eere niets
onyerijmds
toe!"
Neen waarlijk, bij al wat heilig is en liefelijk en wél onze trouwe Vader, die in de hemelen is, niet.
luidt,
zóó
is
Zeer vergist men zich dan ook, indien men zich inbeeldt, dat de kerk van Christus ooit zoo iets zou geleerd hebben, en zich daartoe op de belijdenis van zijn „vrijmacht" of het „welbehagen zijns willens" beroept. o.
Zeer
zeker,
op
het
gezag
en
het voetspoor van den heiligen
apostel Paulus heeft de kerk steeds beleden, dat de pottenbakker
macht
over het leem en dat de verkiezinge Gods even vrij en onajhankelijk was als zijn barmhartigheid onyehouden. Maar deswege te beweren, dat er in God ooit willekeur, en in die willekeur de schrikkelijkste wreedheid, zou geweest zijn, dat leerde de kerk met haar heeft
belijdenis
van Gods welbehagen
nooit.
met hand en tand vast, waarvan ook geen haarbreed afgaan, t. w. lo. dat de zondaar op redding geen schijn zelfs van recht heeft; en 2o, dat de oorzaak waardoor de ééne wel, de andere niet verkoren is, niet ligt in eenig onderscheid van mindere verdoemelijkheid voor God. Van die twee mogen we niet afgaan. De mensch heeft als zondaar geen het minste recht op redding, maar, omgekeerd, God heeft recht er op, dat de zondaar eeuwig straf Van recht tegenover God kan er uitsluitend door een verbond lijde. sprake komen. Indien God eerst rechten aan zijn schepsel verleenty dan geeft het zulk een ook recht. Eer niet, maar dan ook gewisselijk. En in zulk een zin spraken de ouden zelfs van een recht van den duivel op de zielen der menschen, die hij verleid had. Maar naardien de mensch, zondaar geworden zijnde, al deze verleende en geschonken rechten weer verloren heeft, zoo staat hij alsnu gansch rechteloos tegenover den Eeuwige, en staat die eeuwige God tegenover hem met het volle recht, dat de zondaar de straf onderga, waarmee het vallen in zonden door Hem bedreigd was. Heel dat denkbeeld, alsof God de Heere jegens de arme zondaren, omdat ze zoo ongelukkig er aan toe zijn, tot het oefeireu van barmhartigheid ook maar eenigszins zou yehoudvïi ziju, moet dus met alle kracht bestreden en uit onze overleggingen uitgebannen. Want dat denkbeeld is valsch. Het komt ons zelfs niet toe, het in ons op te laten komen. Het voet te geven, is zo}ide. l)e kerk van Christus lichtte ons dus uitnemend voor, toen ze met wortel en tak dat spinsel van valsche inbeeldingen wegvaagde,
Twee dingen
wij
hield ze steeds
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's