Het heil in ons - pagina 66
56 Ze vloeit uit de verborgen diepten van het Vaderhart, welt uit de onzichtbare bronnen der eeuwige liefde, drenkt den wortel onzer persoonlijkheid, besprengt de ontluikende kiem van ons beter leven, besproeit ons met haar frissche druppelen bij elke mijlpaal van onze geestelijke ontwikkeling, en zal ons eerst in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met haar volle, heerlijke stroomen overgieten. De wedergeboorte is in den diepsten zin een mysterie, niet slechts naar haar oorsprong, maar evenzoo in haar werking. Men bespeurt niet vanwaar ze komt, wordt niet gewaar op wat wijs ze over ons komt, noch ook bemerkt men waar ze ons henenleidt. Ze grijpt den begenadigde aan, niet in zijn afzonderlijk bestaan, maar in en door de nauwe betrekking, waarin hij met de Gemeente van Christus staat. Onmiddellijk werkt ze, in zoover ze zonder een eigen daad van den Zoon, zonder een persoonlijke werking van den Heiligen Geest ondenkbaar is; en toch is ze arn het organisme der Gemeente gebonden, aan de genademiddelen van het Sacrament en het Woord. Aan geen tijdperk in het leven gebonden, komt ze bij den een eerst tot doorbreking op zijn sterfbed, terwijl ze een andermaal even vrijmachtig en koninklijk reeds het kindeke in de wieg met haar schaduw overdekt. Kortom, ze is die voor geen ontleding vatbare, met eiken regel spottende, allen tegenstand overwinnende, elk middel aangrijpende werking van die zoekende liefde des Drieëenigen, waardoor het ontzonken en nog altijd dieper wegzinkend schepsel, in zijn val naar het verderf tegengehouden, allengs naar de heerlijkheid opgetrokken en in de teederste gemeenschap met het volzalige wezen onzes Gods
hersteld wordt.
Bekeering, als bekeering tot zaligheid opgevat, is eerst mogelijk, nadat deze wedergeboorte bij aanvang in ons plaats greep. Zonder beding moet toegestemd, dat de menschelijke natuur, gelijk ze thans naar het vleesch is, den wil en het vermogen mist, om tot stilstand, tot omkeering en terugkeer op haar weg te komen. Volkomen waar, dat ook buiten het openbaringsleven de werkiug van het eeuwige Woord woelt onder den bodem onzes levens. Hij was in de wereld. Maar .... de wereld heeft hem niet gekend. Een onbestemd besef, dat deze gevallen wereld hem niet bevredigt, een onverklaarbare onvoldaanheid, een onbegrepen trachten en streven naar een beter en heiliger en heerlijker leven, spreekt ongetwijfeld reeds uit de zielsklacht der heiden wereld en uiteraard nog sterker en klaarder uit den weemoed der gedoopte, maar Christus niet belijdende wereld. In de consciëntie ligt ook voor den diepst gezonkene nog een trilling van het eeuwige in zijn dood, waardoor de volkomen gerustheid hem benomen wordt. Er spreekt uit de machtige wonderen der natuur, uit het woelen der volkeren en de schikkingen van eigen levenslot een stem zdó krachtig en doordringend, dat eea volkomen kalme slaap in de zonde onmogelijk is; maar tot een aangrijpen van den levenden
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's