Honig uit den rotssteen - pagina 145
;
131 gevallen,
om
bij
de uitbrenging en handhaving van de eere Gods te als instrument.
hebben mogen dienst doen
Maar .... en Toen hij
weten.
Anders ware bonds geweest.
Had
hij
vergeet dat niet, Job kwam dit eerst van achteren in den smeltoven ging wist hij dit niet. hij
de martelaar,
nu
is
hij
de lijder des
te
Ouden Ver-
het vooraf geweten, dan ware die wetenschap olie in zijn
wonde geweest en zou hoop. Maar nu hij het onder!" nu had hij
—
hij
psalmen
gezongen hebben op den aschhij dacht: „Ik ga doelloos dat hem staande hield, en juist dat
wist;
niet
nu
niets heeft zijn onuitsprekelijk lijden zoo onbeschrijfelijk verzwaard. Niets, niets mocht aan Satan als uitvlucht overblijven. Hij moest zelfs niet kunnen zeggen: „Ja maar Job heeft op de martelaarskroon gehoopt!" Neen, Jobs geloof zelfs moest ondergaan, opdat niet aan Job, maar aan die het in Job wrocht de eere
Hem
zou blijven. terwijl Job zijn dag vervloekte, kon Satan hem niet rukken hand van zijn God. Daarin lag Satans nederlaag. Daarin de triomf van den Heere onzen God. Maar daarin ook Jobs alle beschrijving te boven gaande smart dat brullen van een ziel die niet meer kan, die het uitschreeuwt
Zelfs
uit de
;
en kermt, en
gilt in
de verscheuringen zijns harten!
De schrilste toon ging te midden van dat kermen over de verdroogde lippen van den lijder, toen hij het uitkreet voor God: „Heere, versmelt mij het wezen! is in een mensch een
Gij
^)
Er
pit, een kern, een middelpunt, een iets, waar hij beseft: „Daar zit nu mijn wezen l" Al het andere is de omtrek En binnen dien omtrek loopen allerlei kringen die bij hem hooren, maar die toch zijn eigenlijk wezen niet zijn. Hij voelt dat zijn lichaam bij hem hoort; dat zijn kinderen hij hem hooren; dat zijn vrienden hij hem hooren; dat zijn goed hij !
hem
hoort; dat zijn naam hij hem hoort; dat zijii eere öi; hem hoort voelt het van zijn geluk, van zijn liefde, van zijn welstand, zijn vertroosting, van zijn hope, van zijn idealen, dat die alle
hij
o,
van
Met opzet houden we ons aan onze Statenvertaling, ook al mocht op afdoende bewijsbaar ztJn, dat ze in de afleiding van '^'^^ hebben gedwaald. Opmerkelijk toch is het, dat de uitlegkunde, na eerst tamelijk hooghartig de vertaling van „wezen" belachen te hebben, en aan „wijsheid", „vertroosting" en wat niet al te hebben gedacht, van lieverlee van deze onhoudbare voorslagen zelve terugkomt, en allengs erkennen gaat dat het grouddonkbeeld van „wezeji" ^)
gronden
hier
ook
wel terdege op zyn plaats is. Tact, in heiligen zin, heeft onze Overzetters, onjuiste etymologie, doen tasten, dat alleen het „versmelten van het tot uitdrukking bracht.
btj
wezen" de diepte der namelooze ellende
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's