Honig uit den rotssteen - pagina 142
128
Te sterker dient hiertegen gewaarschuwd, omdat het altijd gewagen van „onwaar zijn" er ongemerkt toe leidt, om het „waarheid spreken" minder nauw te nemen, en van het „waarheid doen" schrede voor schrede verder af te gaan. Dit hangt saam. Dring ik eenmaal door de oppervlakte heen naar den verborgen achtergrond van iemands wezen, om daar te beoordeelen, of hij wel' waar is, dan verschijnt in vergelijking met die groote vraag, de kleine, of hij wel juist spreekt zooals het is, als van zoo ondergeschikt belang, dat ik daar vanzelf minder aan hecht. Te meer, daar dat „diep gaan" vanzelf minder waarde aan de oppervlakte doet hechten aldus de kracht der woorden verzwakt; en er aan went om onder alles alles :
te verstaan.
Ja,
zijn"
om nog iets
van
dieper
een
zaak op te vatten, eigenlijk is dat „waar beweren, wat aan een mensch niet toe„leugenachtig." Bij den onwedergeborene is dit
de
mensch
komt. Alle mensch is zoo, zonder dat hij dit inziet of toestemt. Bij den wedergeborene is het oog voor dat leugenachtige van het eigen wezen opengegaan. En terwijl het kind Gods in hem worstelt tegen het „ik," komt hij eerst recht tot inzicht van dat onware, valsche en leugenachtige van zijn wezen. Elke poging om reeds hier op aarde aan dien toestand een einde te maken, blijft vruchteloos. De contradictie van zijn en c/elooven houdt aldoor stand. En tenzij men aan den bedwelmenden beker van het Perfectionisme zich den slaap der ingebeelde gelukzaligheid heeft ingedronken, blijft die afstand tusschen wat ik belijd en wat ik ben aanhouden tot in den dood. „Waar zijn" is dan ook niet eens HoUandsch. Van een persoon gebezigd moet het niet heeten: „Hij is waar," maar: „Hij is waarachtig," gelijk dan ook onze Bijbelvertalers, overal waar in het oorspronkelijk het „waar zijn" van God wordt uitgesproken, dit steeds als „waarachtig" vertalen ^). Dit „waarachtig zijn" nu komt alleen aan God toe en niet aan ons. Het op ons zelf te willen toepassen, is een ergerlijke hoogheid, die ons niet voegt. Wat wij vermogen, is, uit onze diepe leugenachtigheid smeekend de armen om redding uitsteken naar Hem, die de Waarheid is. Naar den „eenig Waarachtige," die er ons uit kan helpen en houden. Naar Hem, die als Jehovah „is die Hij zijn zal," en daarom alleen onder allen den volstrekten „waarborg van waarheid" in zich zelf heeft. Bij Jesaia klaagt de Geest over hen, die „de duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis" (5 20). Dat wil zeggen, dat een vledermuis en nachtuil de vraag zou kunnen stellen, of het eigenlijk :
1)
6 8 wordt het wel het oog op de inspiratie.
In 2 Cor.
maar met
:
is
waar aan de apostelen gezegd,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's