Honig uit den rotssteen - pagina 131
!
117
gen" zijn. Zeggen, dat er een gemeenscliap geboren is en een gemeenschap bestaat tusschen uw hart, dat ge in den boezem draagt, en dien levenden, heerlijken, heiligen God „Zeggen," opdat een ander dat zou hooren; om alzoo in het oog van
een zekere beteekenis, een hoogere waardij, een beDe tong aan het werk zetten, om in anderer waardeering voor onszelf een gestalte op te bouwen, en te maken dat men heilige gedachten van ons krijge. o, Dat stuitend misbruik én van uw tong én van uw zielsgenade; altijd ondersteld, dat ge die waarlijk hebt. Uw tong is een kostelijk lid, een gansch goddelijk instrument, een wonder kunstmiddel, dat uw God u als mensch gaf, om wat van binnen in u leeft, woelt en drijft naar buiten te openbaren en zoo te openbaren, dat het tot in de ziel van een ander, die u hoort, over kan gaan. Uw tong en zijn oor, dat zijn de wondere geleimiddelen waardoor hetgeen in u, in uw binnenste, van binnen bij u omgaat, overgebracht kan worden naar en in het binnenste van dien ander. Zonder die tong en dat oor zouden de menschenkinderen als boomen in een woud naast elkaar staan, elkaar wel uitwendig aanrakend, maar buiten staat om van binnen elkaar op te zoeken, en persoonlijk gemeenschap te hebben. Het is dus een gansch wondere gave van uw God dat ge spreken kunt, dat ge iets zeggen kunt, dat ge u kunt uiten. Maar natuurlijk, dat wondere schonk God de Heere u niet als speelgoed, en nog veel minder, om er kwaad mee te doen, maar met een hoog en heilig doel, met het doel, dat ge er Hem mede verheerlijken en den broeder zegenen zoudt. En zie, nu zullen wij het onderstaan, om dat spreken, dat zeggen, dat uiten, van wat in ons is, te gaan misbruiken, als een pronkmiddel, om de menschen saam te roepen en te zeggen „Komt herwaarts en laat mij u eens opsommen was er voor schoonheden in de kamer van mijn ziel zijn; wat een belangrijke en begenadigde persoon daar woont; en wat God Almachtig zich met het daarin huizend dien
ander
langrijkheid te verkrijgen.
:
persoontje heeft bijzonder opgehouden!" Als de tong die zich zóó verlaagt, u uitgesneden werd, was het te wreed, zou het niet verdiend wezen?
moet
Gij
moet
niets
verdwijnen, uw eigen ik moet zich verloochenen, van u zien overblijven, uw God alleen moet groot zijn!
te
En nu
zult gij
zei ven
eerst
—
die kostelijke gave der sprake misbruiken gaan,
om
u
eens waarlijk schitterend in de oogen van anderen te doen uitkomen, en de aandacht toch vooral op uw persoon te vestigen, en wel te doen uitkomen: zie, die man ben ik! Of woudt ge u verontschuldigen, met te zeggen „Lieve vriend, dat was wel eertijds zoo bij me, toen ik stofte op eigen deugd. Maar nu niet meer. Ge hoordet het immers, ik roem slechts op hetgeen :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's