Honig uit den rotssteen - pagina 148
134 Niet maar de wet voor de oude Joden, maar de wet ook nu nog;, voor de uiterst moderne menschen in deze gansch nieuwe en alle ding vernieuwende eeuw. Of de menschen al zeggen: „Neen, maar Zions wet heeft afgedaan!" dat doet er niets toe en verandert niets hoegenaamd aan de zaak. De wet blijft de wet. En omdat God niet is te onttronen, blijft het van Zion uitgaan, zoo de wet, als het meetsnoer en het getuigenis, waaronder alle ziel feitelijk staat, van de wieg tot aan het graf, en waarnaar ze eeuwig geoordeeld staat te worden. Ja, al ging de afval nóg verder dan die ging. Al bleef er ten slotte niet één koning meer over die voor God boog niet één rechter die naar God in het gerichte vroeg; niet één priester die tot God bad niet één volk, dat voor Gods eere gloeide en niet één, één enkele gemeente meer op de gansche aarde, die voor Gods Woord beefde en uit God leefde zóó erg, dat eigenlijk niemand meer om Zion dacht, en ieder zijns weegs ging, en de „God van Zion" als een verouderd en uitgestorven Aanbiddingsvoorwerp onder de antiquiteiten werd behandeld; dan nog zou dit in het wezen der zaak niet de allergeringste verandering brengen, en nog altijd, precies evenzoo als in de heerlijkste geloofsperiode, alle levende ziel onder die wet uit Zion staan; aan die wet uit Zion in de consciëntie gehouden liggen en in den oordeelsdag, die zeer gewisselijk komt, uitsluitend en in volstrekten zin, naar die wet uit Zion geoordeeld ;
:
;
;
—
worden.
Eens, in Jesaia's dagen, zag ook niemand dat in. Heel het Oosten dacht: „Die Jehova telt ternauwernood mee, maar Bel, Baal, Kamos, Moloch, dat zijn groote, dat zijn machtige goden." Ea heel het Westen zong meê: „Wat zou ons der Joden God, machtig is de Zeus der Grieken en Komes Jupiter." En de Part zong het uit het Noorden na, en de Apisdienaar in Egypte viel uit het Zuiden in met even driest, Godtergend belijden.
Maar God
lachte.
Hij sprak: „Ik heb toch mijn Koning gezalfd over Zion, den Berg mijner heiligheid!" En toen niemand het geloofde, en Zion geplunderd stond te worden
en de heidenen optrokken om Jeruzalem in rook en vlammen te doen opgaan, toen zei God tot Jesaia, zijn knecht: „Jesaia, ga naar Jeruzalem en spreek uit, dat er een tijd komt, waarop al die volken zullen uitroepen: Komt laat ons opgaan naar den Berg des Heeren, want uit Zion gaat de wet uit!" Daar spotte de buitenlander, daar spotte men in Jeruzalem zelf meê. Maar God stoorde zich aan dat spotten niet. Hij ging door.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's