Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 166

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heils termen - pagina 166

2 minuten leestijd

156 onze

vernedering genade.

stellende

daartoe

De

weer

op

betrekking,

te heffen,

waarin

deze

is

het doel zijner herherstelde natuur des

menschen tot den Schepper treedt, mag niet met den naam van „Godmensch," maar moet met dien van „kinderen Gods" bestempeld worden.

En toch kan aan deze zegswijs van „godmenschelijke levensontwikkeling," ter toelichting van een diepzinnige waarheid, een betrekkelijk recht niet ontzegd worden. Gewoon

we

om

noemen van den naam „mensch," verzonkenheid te denken, valt het ons moeilijk, bij de bespreking van het „nieuwe schepsel," ons dit in zijn ware heerlijkheid voor te stellen, zoo we hiervoor geen hoogere uitdrukking bezigen dan van „waarachtig mensch." De Schrift zelve komt ons hierin te hulp, door van „gelijkvormigheid aan den Zoon" te spreken, en ook wij gaan dus veiligst, zoo we ons deze nieuwe betrekking geen oogenblik gescheiden denken van onze vereeniging aan

als

zijn,

den zondaar in

bij

het

zijn diepe

met den Christus. De mensch vóór den zondeval was een met

zijn Schepper. Wel van onderscheiden in wezenheid en deugden, maar toch geen oogenblik in bewuste tegenstelling met Hem. Met het eerste bewust worden van deze tegenstelling was de zonde reeds geschied en dus een geheel nieuwe toestand ingetreden, waarin de daad Gods en 's menschen daad in elk opzicht lijnrecht tegenover elkander stonden. Dezen toestand nu heft de Christus door d^ daad zijner barmhartigheid op. In den toestand, waarin Hij de zijnen plaatst, valt dus de tegenstelling weder weg en keert terug wat in Eden verloren ging. Echter niet volkomen. Eerst als in de voleinding aller dingen de Zoon het Koninkrijk den Yader zal hebben overgegeven, opdat God zij alles in allen, zal de herstelling volkomen zijn. Tot zoolang blijft de nieuw ingetreden toestand aan den Christus, aan den Godmensch, gebonden, is ze alleen door Hem werkend, kan ze alleen in samenhang met Hem gedacht worden, en het is deze schakel in het heilsleven, die door de uitdrukking „Godmenschelijk" misschien het best en klaarst wordt weergegeven. „Niet ik, maar

Hem

Christus in mij."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 166

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's