De leer der Verbonden - pagina 230
;
220 men, met ons, in het laatste oogenblik van samenzijn, in jongste woord door den Zone Gods tot zijn jongeren gesproken, of men aan het einde der Openbaring genaderd, en als ware het met den Christus, in wien die openbaring voleind wierd, op de uiterste spitse van Gods heiligen berg geklommen, om den laatsten, volsten, hoogsten en reinsten klank te beluisteren, waarin het slotamen van geheel die Openbaring zal gegeven worden, niet iets anders, wichtiger en meer indrukwekkend verwacht dan de overneming voor zijn Koninkrijk van een reeds bestaand gebruik. Dat we hierin ons werkelijk niet vergissen toont schier elk woord van Jezus' uitspraak. Hij bereidt er zijn jongeren op voor, dat de last hun op te dragen voortvloeien zal uit de machtsvolheid waarmee Hij op aarde en in den hemel is bekleed: „Mij", zoo sprak Hij, „is gegeven alle macht in hemel en op aarde !" En krachtens die autoriteit, gebruik makende van die Hem verleende volmacht, geeft Hij thans voor het eerst aan zijne jongeren een bevel, dat dusver nog steeds was teruggehouden, ja waarvan eer het tegendeel hun was voorgelegd „Nu mochten ze uitgaan om er tot zijn Koninkrijk te noodigen uit en
of
het
alle
volken r''
Dusver
niet.
Hoog had de muur der afscheiding tusschen Israël en de volken moeten rijzen, niet door het fanatisme der Joden, maar door 's Heeren eigen last, dien Hij aan Israël gegeven had. Die afscheiding tusschen Israël en de volken is dan ook door Jezus en zijn jongeren, tot op zijn hemelvaart, strengelijk geëerbiedigd. Het opnemen van een enkelen vreemdeling in den kring zijner beweldadigden bewijst niets. Slechts onbekendheid met den heiligen en hiertegen liefdevollen zin der Mozaïsche wetgeving kan doen vermoeden, dat reeds hiermee de Oude Bedeeling doorbroken was. Die afscheiding was niet een kwaad, maar een goed, niet tegen Gods wil, maar door Hem zelven verordend, en het is dienovereenkomstig, dat we Jezus „Het is ons niet geoorloofd, het tot de Sidonische hooren zeggen: brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen," en even scherp bij de eerste uitzending zijn jongeren hooren toeroepen: „Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen, maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls !" Wordt nu bij de tweede uitzending deze beperking niet herhaald, maar veeleer opgeheven, komt voor de waarschuwing: „Gaat niet op den weg der heidenen!" thans de last in stede „Gaat henen tot alle volken /" dan hebben we hier dus werkelijk iets nieuws, een afwijking van het vroegere, waartoe alleen zijn onbeperkte machtsvolheid den Christus het recht kon geven, en wat dus met het onmiddellijk voorafgaande uitmuntend overeenstemt. Zou men allicht geneigd zijn, dit nieuws thans gering te schatten en onder het bijkomstige te rangschikken, men late zich dan door Integendeel.
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's