Honig uit den rotssteen - pagina 146
!
132 en dat alles een deel van zijn leven, een kring in zijn levensomtrek, een straal van zijn levensgloed uitmaken. met dat alles is toch zijn wezen zelf nog; niet gemoeid. Maar Van dat alles heeft hij nog een besef, alsof hij er meê omkleed, meê versierd, meê rijk gemaakt is, maar alsof het toch van hem kon genomen worden, zonder dat zijn wezen er aanging. En dat is het nu juist, waar Jobs namelooze zielsangst en doodsverschrikking en helsche benauwing in ligt. Zie, hij was uitgeplukt gelijk men een vogel zijn vederen uitplukt, gelijk men een visch zijn schubbenpantsier afschrapt, ja, gelijk men een aal zijn vel afstroopt, dat hij nog ontvild te trekken en zich te krommen ligt voor het aangezicht van zijn vanger. Bén voor één, stuk voor stuk, had Satan hem alles ontnomen, uitgetrokken, gescheurd van het hart en als uit zijn bloed weggezogen. Job was nu gansch naakt, gansch ontbloot. Satan kon hem niets, niets meer ontnemen. Want Job had niets meer. Zelfs zijn geloof niet meer. Alleen nog maar het ingeplante, maar schuilgegane geloofsvermogen, dat ingeweven zat in het eenige wat hem nog verbleef zijn wezen. En nu, als om het nu op het allerontzettendst te laten komen, wordt nu ten leste zelfs dat wezen zelf' aangetast, en opeens wordt het hem, alsof hij wordt opgelost; alsof zijn bestand weggaat; ja, .
.
.
,
.
—
wezen versmelt. Merkt het toch op, gij allen, die God vreest, zelfs dat wezen moest aangetast, opdat Job van achteren niet zeggen zou: „Mijn wezen heeft het geloofsvermogen vastgehouden!" Klaar, helder voor duivelen en engelen moest het zijn, dat zelfs toen zijn wezen versmolt, niets in Job het geloofsvermogen ongeschonden bewaard heeft dan de inwerkende genade van de alvermogende kracht Gods. alsof zijn o,
Zoo deed de Heere met Job naar zijn vrijmacht. Schrijnt ook gij bij het afstijgen van een steile rots, om uw leven te redden, niet uw knieën en handen aan bloed? En als gij er dan om uws levens wil alzoo uw hand aan moogt wagen, zou God dan om zijner eere wil, er u, een van zijn millioenen, een van zijn nietige creatuurtjes, niet aan mogen wagen Zwijgt toch, gij die morren woudt. Doet Hij niet met het heir van zijn hemelen en de inwoners zijner aarde naar zijn welbehagen? En bovendien, is God in Jobs lijden niet reeds eeuwenlang ook in der menschen oog gerechtvaardigd ? Of bleek God de Heere niet machtig, om met dubbele eer te beschenken voor dubbelen smaad? Heeft Job van achteren niet gejubeld dat hij waardig geacht was, zulk een instrument voor Godes
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's