Het heil in ons - pagina 130
120 die eerste wet en hem telkens gevangen neemt onder die verfoeilijke, afschuwelijke wet der zonde, die gedurig nog heerschappij voert in zijn leden." Doorziet nu toch een iegelijk, dat zulk een zielstoestand dan eerst denkbaar, dan eerst mogelijk, dan eerst aannemelijk wordt, als de Heilige Geest, in het binnenst verborgen van het menschelijk hart
ingegaan, zich als een macht die van binnen uit drijft en aanzet, wat wil men dan toch bij zulk een zielsworsteling openbaren kan, nog aan den onwedergeborene denken, op wien de Heilige Geest zeer zeker van buiten kan werken, ja, dien de Heilige Geest desnoods als onwillig instrument voor zijn werken op anderen gebruiken kan, maar bij wien dit juist de onafwendbare jammer is, dat de grendel nog op de deur van het hart bleef geschoven en juist het inkomen en binnendringen en als in zijn tempel woning maken aan den Heiligen Geest werd belet. Aan dit gevangengenomen worden zelf ontleenen we ten 7de deze andere eigenschap: „dat de worstelaar in dit hoofdstuk zich onder de wet der zonde als een onwillige gevangene voelt, een karaktertrek die al evenmin in den onbekeerde vallen kan. De onbekeerde „stelt, naar Paulus zelf getuigt, zijn leven om dienstbaar te zijn," en wel dienstbaar te zijn niet aan God, maar „aan de ongerechtigheid"; hij is „slaaf der zonde" en wel als „een aan die zonde verslaafde," d. w. z. als zulk een die zijn boeien kust en liefheeft en zijn onreinen, onheiligen meester mint. Maar zoo staat het bij dezen geestelijken strijder in het minst niet. Voor hem is er aldoor in het leven een afwisseling; om en om; een slingeren tusschen twee toestanden, aan den éénen kant een krijg, strijd, oorlog voeren tegen de wet der zonde, en dan weer als krijgsgevangenen in de macht van die zondewet, een zichzelf verfoeien, om God-lof, straks, ja hetzelfde oogenblik weer verlost en vrijgemaakt, weer altijd met nieuwen, met ongebroken moed, „naar den lust van den inwendigen mensch" het aan te houden op de wet des Geestes en het leven Gods. Een gestadig zuchten „o, ik ellendige !" maar even onver!" anderlijk door het jubelen der verlossing gevolgd „Ik danke mijn God Welnu ook dat onwillig gevangen zijn, om straks weer verlost te worden, kan van den on wedergeborene niet worden geroemd. De onbekeerde is geen krijgsgevangene, die vrij was en, straks ontzet, weer ijlings in zijn vrijheid jubelen zal, maar een in slavernij geborene, een aldoor in slavernij levende, ja, een die zelfs bij het morren tegen de ketenen die hij voortsleurt, toch nooit anders dan uit den eenen slavendienst in den anderen wil loopen en in den sterken Held, die hem los wou maken, geen redder begroet maar een vijand. En nu weten we wel, dat sommige vromen het willen doen voorkomen, als liet Jezus nooit meer toe, dat de zonde hen ving, maar die dieper indrong in de paden des Geestes weet, dat dit alleen hier-
—
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's