Heils termen - pagina 185
175 IV.
GODS LIEFDE WOBTELEND IN ZIJN SOUVEREINITEIT. Bij
U
is
de Fontein des levens.
Psalm Eeeds
nu
XXXVI
:
9.
de liefdesopenbaring Gods, voor zooveel het ons in gansch ander licht. Het min veelvuldig gebruik van het woord „liefde" hield reeds op eene ernstige bedenking te zijn, toen bij nader onderzoek bleek, hoe weinig Jezus zelf dat woord bij name placht te noemen. En toen we nu, van het woord tot het wezen der liefde schrijdend, in „Ontferming" en „Welbehagen" de uitdrukkingen opspoorden, waarin het Oud-Testamentisch begrip van liefde zich bij voorkeur hult, werd het terrein der heilige Liefde ons ook in het Oud Verbond zoo onafzienbaar en onafgemeten, dat aan geen missen der "liefde Gods" bij eenige Schriftkennis meer kon worden gedacht. Toch moet, eer we den inhoud dier beide „liefdesuitingen" nader ontleden, de hoogere eenheid worden opgespoord, waarin beide saamvallen, en die beider oorsprong in het Godzijn zelf van den Alverschijnt
Oude Verbond
betreft,
machtige aanwijst. Dit toch gevoelt men. „Welbehagen" en „Ontferming" zijn inderdaad twee. Er moge zich menige ingewikkelde toestand denken laten, waarin beider werking zich onbewust dooreen vlecht, maar in het voorwerp, waaraan ze hun liefde wijden, ligt de scherpst geteekende grens, die beiden scheidt. Bereikt de Goddelijke liefde het hoogtepunt van haar werking tegenover den zondaar, dan draagt ze het karakter van „Ontferming;" daarentegen, blijft de zonde buiten spel, dan kan ze geen „Ontferming" heeten, maar neemt den vorm aan van „Welbehagen," Van „Ontferming" kan geen sprake zijn, tenzij er in het voorwerp, dat men mint, een ellende, een lijden, een nood of schreiende jammer zij. „Welbehagen" daarentegen wordt door eenig gebrek in het voorwerp onzer liefde juist buitengesloten, en alleen dan gewekt, zoo dit voorwerp ons door zijn schoonheid en heerlijkheid tot verlustiging strekt en boeit. Dit nu moge oogenschijnlijk tot verwarring leiden, als men Gods liefde in betrekking tot den verloste denkt, nog zondaar in zich zelf, doch in Christus geen zondaar meer; maar deze dubbele geloofsgestalte kan nooit de grenslijn uitwisschen, die zonde van heerlijkheid scheidt, en dus evenmin het sterk sprekend onderscheid opheffen, dat we tusschen „Ontferming" en „Welbehagen" aanwezen. Is er op den we^, waarlangs Gods liefde
— —
uitgaat,
zonde,
dan gaat
die
liefde
ijlings
in
„Ontferming"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's