Honig uit den rotssteen - pagina 275
:
!
261 treedt Hij tusschen beide en snijdt Hij ons in de zelfvoldane ziel in, en schudt ons wakker, en vlijmt het ons niets sparend in het hart
Vun gij
voor Mij weg, gij onheilige priester (vs. 13), gij bedrieger (vs. 14), verachter (vs. 6), gij verontreiniger (vs. 7), van mijnen heiligen
Naam En
wat komt er nu in ons hart, op dat hooren zeggen? Dankt het dien trouwen Ontfermer nu, dat Hij niet afliet, maar nog insneed en redden kwam?
Neen, neen, broeders en zusters, het gedichtsel van ons eigen hart daar te hoos voor, en de eerste ritseling, de eerste beweging van God heeft onzen zondigen persoon, als we alzoo ontdekt worden, is o>?gelijk, zoo slecht zijn we niet! en dan roept de zichzelf rechtvaardigende ziel: „Waarmede verachten wij U? Waarmede verontreinigen wij uw Naam?" (vs. 6 en 7).
is
:
nu is het toppunt van de ongerechtigheid in ons. De herinnering aan het diep opborrelend bederf in ons. Nog den onnoozele voor God willen spelen. Nog het er op wagen, of onze verloren zaak voor God ook goed ware te praten. Nog onwetendheid voorwenden. En terwijl de teedere consciëntie ons van binnen rusteloos gekastijd heeft, ons nu nog aanstellen, als wisten we er niet van, als ware het zoo erg niet, en afs ware die overteedere, ontfermende God, eigenlijk nog te streng in zijn richten. Verachtelijk van ons boos en slecht hart, niet waar? En toch, wie zal het verbloemen, zóó zijn we, zóó diep zonken we, zóó liggen we er aan toe. Dus als de wereld. Neen God zij lof, dat niet. Er is onderscheid. Maar een onderscheid niet in de opwelling. Wat opwelt uit een ieder is in een ieder
En
dat
scherpste
even boos. terwijl nu de ongerechtige man aan die opwelling lust zie, en ze opblaast tegen zijn God in en het zoo volhoudt, en het zich zoo aanpraat, en daarop staan blijft; gaat dat bij Gods uitgeleide pelgrims geheel anders toe. Want, ja, het begint ook bij hen wel met die eerste opwelling, met een eerste aandrift uit het eigen gedichtsel. Maar dan is het ook uit. Dan schiet er de werking van den Heiligen Geest in en het ingeplant geloofsvermogen geeft andere wateren uit. Wateren der diepste beschaming, der volkoraenste zelfveroordeeling, der verdoeming van een hart, waar nog zoo iets gruwelijks tegen God den Heere uit kon opborrelen! En zoo haat dan Gods lieve kind die eerste opwelling, dat hij zijn schuld bedekken wilde. En hij snijdt ze los, die windselen
Maar
krijgt,
om
de wonde.
En
hij
komt naakt en ontbloot voor
zijn
God
te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's