Dat de genade particulier is - pagina 116
106 en anderzijds tegen een weer opkomen van het eigenmaar voor het onderhavig Chiliasme op haar hoede te zijn; vraagstuk, dat thans ons bezig houdt, doen deze vragen niets af. Het pleit dat we thans voeren is alleen, dat we uit de Heilige Schrift bewijzen willen, hoe ons van Gods wege in feiten en woorden geopenbaard is, niet dat de genade tot zaligheid voor alle menschelijke individuen die voortijds leefden, nog leven of voorts leven zullen, maar wel dat ze slechts voor een deel van die eindelooze menschenspiritiialiseeren
—
lijke
raassa bestemd
Of men
is.
neemt is ons voorshands geheel Zoodra toch ook door onze tegenstanders erkend wordt, dat er een deel van de menschheid ('t zij dan groot of klein) afvalt, voor wie naar luid der Schrift, de genade tot zaligheid blijkbaar idet bestemd was, dan doet het er niet toe, of ze dit deel iets ruimer of enger nemen. Want immers dan zijn ook zij in zooverre even iets wel en deugdelijk Particularisten als wij geworden, dat ook zij namelijk voor een God komen te staan, die heil schept niet voor geheel de zondige menschenmassa, maar slechts voor een deel er van; en dus niet langer kunnen voortgaan, om de onderstelde hardheid en wreedheid Godes tegen ons aan te voeren, wijl ze dan, ons oordeelende, tevens een oordeel zouden uitbrengen over zichzelven. Ter beslechting van dit geschil nu en om dat ééne punt uit te maken, is „de tijd en wijze" van de toebrenging des volks ons geheel onverschillig, en hebben we uitsluitend met het feit te rekenen, dat werkelijk naar luid der profetie, alle volken in het heil des Heeren dat deel grooter of kleiner
onverschillig.
zullen deelen.
Maar
nu
staat
nu
dit
vast,
dan
dient,
om
tot beslissing te
geraken,
onderzocht, of er óók door den Heiligen Geest geopenbaard is, dat in en onder al deze volken alle personen, die er toe behooren, tot zaligheid bestemd zijn. En ook op die vraag heeft men gemeend een toestemmend antwoord te kunnen geven, zich daarbij beroepende op prachtige uitspraken als deze: „Uw volk zullen allen te zamon rechtvaardigen natuurlijk
de
in
tweede
plaats
21); „Al uwe kinderen zullen van den Heere ge54 13); „Want zij zullen niet meer een iegelijk tot zijn naaste zeggen: „Kent den Heere, want zij zullen Mij allen kenuen, van hun oudste tot hun jongste" (Jer. 31 34); „Alle menschcn zullen vreezen en Gods werk verkondigen" (Ps. 64:10); „Alle heidenen zullen Hem welgelukzalig noemen" (Ps. 73 17); „Al de heidenen, Heere, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zullen zich voor uw aanschijn nederbuigen en uw naam eeren" (Ps. 86 9); „Het zal geschieden dat Ik in die dagen zal uitstorten van mijn Geest op alle vleesch" (Joel 2 28); „Het aardrijk zal vol zijn van
wezen"
leerd
(Jes.
zijn"
60
(Jes.
:
:
:
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's