Heils termen - pagina 195
,
185
doen"
(Jes. 46 10) sluit zulk een misvatting volstrekt buiten. Wel middelpunt in God te verliezen, is het juist in van liaar toch verre de richting van „Welbehagen" dat de liefde des Ontfermers het hoogst de eere Gods verheerlijkt. „Het „e er e zij God in de hoogste :
eerst door dat „Welbehagen" tot zijn recht. Dit toch zegt reeds de klank van het woord ons: „Welbehagen," met „welgevallen" en „goeddunken" schier eensluidend, ontkent elke bepaling van Gods wil en dus ook van zijn liefde, die buiten Hemzelven ligt. Zoozeer is zelfs bij dit „Welbehagen" de volstrekte onafhankelijkheid van 's Heeren goeddunken hoofdzaak, dat van „Welbehagen" ook bij zijn o o r d e e 1 e n gesproken wordt, als het in de profetie tegen de Chaldeën heet: „Hij zal zijn welbehagen tegen Babel doen" (Jesaia 48 14). Yan de oordeelende kracht des Evangelies bezigt Jezus dezelfde uitdrukking, als hij, den Vader dankzeggend aanroepend, „van de wijzen en verstandigen getuigt, wien de dingen des Koninkrijks verborgen werden" en er in één adem bijvoegt: „Ja, vader! want alzoo is geweest het welbehagen voor U!" (Luc. 10 21). En dat ook bij de liefdesuiting des Heeren de grondtoon van zijn vrij macht in zijn „Welbehagen" niet kan miskend worden, zou reeds vaststaan door deze ééne uitspraak van onzen want het is uws Vaders Herder „Vreest niet, gij klein kuddeke welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven." Vraagt men, hoe dan die beide gedachten in het ééne begrip van „Welbehagen" te vereenigen zijn, hoe zich een „Welbehagen" laat denken, dat alleen aan zichzelf gebonden is en nochtans tot liefde verwekt wordt door het voorwerp, dat het mint, dan moet dit tegen'strijdige onverzoenlijk, dit raadselachtige oplosbaar blijven voor elk hoofd en hart, dat aan geen eeuwig Zoonschap en aan geen menschwording van Gods Zoon gelooft. Maar op het heerlijkst vloeien die beiden saam en lossen Gebondenheid en Vrij macht zich in elkander op, zoo het mysterie van Bethlehem's Kribbe ons nog door het „Immanuël," God met ons, vertolkt wordt. De Christelijke Kerk, die door alle eeuwen den Zoon beleed als eeuwig door den Vader gegenereerd, het uitgedrukte Beeld zijner zelfstandigheid en het Woord, waarin naar 's Vaders welbehagen al de volheid Gods wonen zou, weet, dat de liefde van den Vader voor den Zoon niet een minnen van een ander wezen, niet een liefde voor het buiten zich gelegene, niet een zich hechten aan het vreemdsoortige is, maar integendeel een liefhebben van zichzelf in den Zoon, een zich verlustigen in het eigen leven, dat in den Zoon overging, een goddelijk zich vermaken in het beeld zijner eigen heerlijkheid en den afdruk van Zijn eigen persoonlijk bestaan. Het is de machtige aandrift van dit welbehagen,' op grond waarvan de Zoon getuigen kan, dat Zijn bede nimmer door den A^ader wordt afgewezen. De Vader had in den dag des Welbehagens tot den Zoon gesproken: „Eisch van
hemelen!" komt
:
:
:
!
^ ;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's