Het heil in ons - pagina 146
136
Had Johannes geschreven: „Wie zijn wasdom in Christus verkreeg, zondigt niet en hij kan ook niet zondigen, want het zaad Gods is in hem tot gedijen gekomen," dan, ja, zouden wij geslagen en de Perfectisten gered zijn. Maar nu de apostel dit niet leert, maar eer, door wat hij leert, bestrijdt en omverwerpt, nu blijkt ook hier weer, hoe volkomen hopeloos de zaak dezer dolende leeraars staat, zoodra we aan de Schrift toekomen. Och, juist
wat hun een bolwerk scheen voor hun droeve ketterije, zoodra slechts even het uiterste der oppervlakkigheid terzijde wordt geschoven, op een wijze dat ze het zei ven moeten toestemmen, in een muur die hun eiken uitgang verspert en geheel hun verandert
dan,
'
stelsel
veroordeelt.
Dit is ook hier het geval. Niet alleen toch dat Johannes' scherpe
uitspraak hen in het minst maar ze is zelfs in onze hand een zeer dienstig wapen om hun opnieuw een zeer ernstige wonde toe te brengen. Immers we behoeven naast I Joh, 3 9 slechts het door hen zoo ver verworpene Eomeinen 7 30 te leggen, om te doen zien, hoe we hier niet met een leer van Paulus of Johannes, maar eenvoudig met de gewone leer der gansche Schrift te doen hebben, die én door den niet
verder
helpt,
:
:
man van
Tarsen én door den jonger van Pathmos, in bijna gelijkluidende bewoordingen wordt vertolkt. Legt Johannes aan een kind van God de woorden op de lippen: „Ik doe de zonde niet meer, want ik kan ook niet zondigen wijl het zaad Gods in mij blijft," dan spreekt Paulus in geheel gelijken zin uit eigen zielservaring: „Indien ik doe hetgeen ik niet wil, zoo doe ik hetzelve niet meer, want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch." En als Paulus omgekeerd aan dien hooggestemden triomfkreet de bittere belijdenis en de droeve klacht toevoegt: „Hetgeen ik haat dat doe ik," dan komt Johannes u op even roerenden toon de ontzettende bekentenis brengen „Indien we zeggen dat we niet zondigen, zoo misleiden we ons zei ven en de waarheid is in ons niet." Zonderling niet waar? Van Eomeinen zeven wilden deze drijvers van vreemde leer niets weten, en met Johannes' woord van het „niet zondigen," dachten ze heel den slag gewonnen te hebben, en wat blijkt nu van achteren anders, dan dat beide stukken der Schrift precies hetzelfde inhouden, uitnemend tot elkanders toelichting en verklaring dienen, en zoowel beiden saam, als elk op zich zei ven zich onverbiddelijk aankanten tegen wat deze enthousiasten bedoelen. En hierbij lette men er op, dat ook wij ons bij de verklaring van Johannes' woord zeer nauw aan de letterlijke woorden houden. We komen niet voor den dag met de gewone uitvlucht, dat een
—
:
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's