Heils termen - pagina 28
:
18
kan te
men liet woord nit Exodus niet „doch met mijnen naam Jehovah ben Ik
niet geloochend worden, zoolang;
niet
wil
doen:
hun niet bekend geweest."
IV.
JEHOVAH, OF DE TWEEDE VERBONDSNAAM. Aldus zult
Jehovah
gij tot
.
.
.
dat
de kinderen Israëls zeggen mijn Naam eeuwiglijk
is
Exodus Bij
het
tweede
Verbond,
het
Verbond
met
Israël
III
:
15.
behoort
de
naam „Jehovah." Wel was, gelijk we zagen, de klank van dien naam reeds aan de Patriarchen niet vreemd. Wel vinden we dien naam ook reeds vroeger in de gewijde oorkonden. Wel toont de naam van Mozes' eigen moeder (Jo-chêbed, d. i. „Jehovah is haar reeds vóór de gewichtige Openbaring in het „Braambosch," Israëls geslachten met het gebruik van dien naam vertrouwd waren. Maar toch, ontplooid, ontsloten, ontzegeld is die „heerlijke eere"),
dat,
en vreeslij ke
naam
des Heer en"
(Deut.
28
:
58)
aan
eerst
den Middelaar des Ouden Verbonds. De klem, op dien naam in het verhaal van Exodus gelegd, is zóó wichtig; het bericht van die naamsverklaring zóó uitgewerkt en omstandig; de Openbaring van dien naam staat met de stichting van het Israëlietische volk in zóó onmiddellijk verband, dat het behooren van den Jehovah-naam bij het Verbond met Israël aan geen twijfel onderhevig
Nog
is.
huivert Mozes voor de aanvaarding van zijn levenstaak terug. Noch de majestueuse lichtverschijning aan den Horeb, noch het onverteerd blijven van het Braambosch, noch de belofte, dat het, nu iiog in slavendienst gebonden, Israël eens aan den voet van den zoo Horeb zijn outer ontsteken zal, zijn hem genoeg. „O, God en zeg Israëls wanneer kom tot kinderen zie, ik de spreekt hij, en gezonden ulieden tot hen De God uwer vaderen heeft mij tot altijd
—
!
—
;
:
Hoe
zijn naam? Wat zal ik tot hen zeggen?" wist, wat maaksel ook Mozes, zijn knecht, was. Hij buigt En Hij, die kleingeloof, en geeft hem in antwoord op die neder tot zijn zich heerlijke openbaring: „Ik zal zijn, bekommering deze vraag der die Ik zijn zal (Echjêh asjêr Echjêh.) Alzoo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Ik zal zijn (Echjêh) heeft mij tot ulieden gezonden." En nu, de ontsluierde Openbaring weer in den van ouds zij
mij zeggen:
is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's