Heils termen - pagina 206
.
196
genoeg nadruk kan hierop gewezen worden, want, wat hier niet nader kan worden uits-ewerkt, staat krachtens het o-etiüo-enis der historie vast, dat namelijk èn de onzalige zedeleer der Jezuïeten, èn de loochening van het bloed der verzoening door de Modernen, noodwendig voortvloeien uit dit onvast maken van Gods wil, onder schijn van zijn vrijheid te eeren. Houdt men daarentegen ook bij deu Eeuwig Ongeziene en Hoogheilige onverbiddelijk aan de wet van alle leven vast, dat 's Heeren wil is, wat Hij naar den eisch van zijn goddelijk wezen zijn moet, dan verklaart het zich volkomen, waarom het ééne woord van „Welbehagen" schijnbaar in zoo uiteenloopenden zin gebezigd werd. We doorzien dan, waarom een geschreven wet, anders dan bij wijze van procfgebod, in het met God vereende paradij sleven ondenkbaar was. Het wekt dan geen bevreemding meer, dat elk aanstooten tegen die wet als lastering wan God zelf gold. Met den Psalmist in het 119e onzer liederen, kunnen we in Gods wet dan inleven, als ware het een inleven in 's Heeren verborgen gemeenschap. En komt eindelijk de Zoon, die van zichzelf getuigde „Wie mij ziet, heeft den Tader gezien!" dan jubelt onze ziel Hem tegen als Openbarer en Vervuiler beide van de goddelijke wet. „Openbarer", wijl Hij God„Vervuiler", Avijl Hij zich betoond heeft den vlekkeloos zelf was, reinen, den onstraffelijken mensch. Houdt men dit in het oog, dan blijkt tevens, waarom de Hoogheerlijke in werkelijken, letterlijken zin een welbehagen neemt aan het volbrengen van zijn wil. Hij heeft, wijl Hij God is, alleen zichzelf en het zijne lief. Op den Zoon rust zijn welbehagen, wijl Hij in dien Zoon zijn eigen heerlijkheid ziet afschijnen, en evenzoo op de verlosten ziet Hij in welbehagen neder, wijl, naar het woord van deii Apostel Joannes, zijn eigen zaad in hen blijft. Maar zoo nu ook is het met zijn volbrachten wil. Is zijn wet volbracht, zijn wil in volkomen zin gedaan, dan ligt in dat feit, in dat volbrachte een afschaduwing, een weerkaatsing van 's Heeren eigen w^ e z e n, in den spiegel van ons menschenhart en menschelijk leven, en het is deze afschijning van zijn Goddelijk wezen, die zijn goddelijk welbehagen, :
—
—
zijn goddelijk welgevallen wekt.
Er moet dus gebroken met de ziellooze opvatting, waardoor het „Gode welbehagelijk" meest van smaak en geur ontdaan wordt, als lag daarin slechts de betuiging, dat de Heere vrede neemt met w^at we naar zijn wil volbrengen. Integendeel, bij het „Gode welbehagelijke" is van genade noch ontferming sprake. Waar Gods welbehagen volbracht wierd, daar is een noodwendig aantrekkingspunt voor het goddelijk welgevallen ontstaan, daar moet Hij op nederzien, dat moet een verlustiging wil
woord, boven
dit
Er gaat van den volbrachten
zijn in zijn heilig oog.
„Gode een
liefelijke
re
uk e
gelijk Paulus in het gemeente van Filippi schreef
uit,"
opstel geplaatst, aan de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's