Practijk der godzaligheid - pagina 47
39 verstand
Wat niet,
gekomen
wij
en
Bijbelsche
waar
zij, en ten genoegen van de gemeente onderzocht zij. „doen van belijdenis" noemen, was oorspronkelijk volstrekt behoort ook niet te zijn een soort examen afleggen in
en
kerkelijke geschiedenis, in geloofs- en zedeleer;
vooral
een naspreken van wat de predikant er op zijn catechisatie van zei; neen, maar een openlijk, in het midden der gemeente opstaan, om te belijden: „o. Kerk van Christus, kerk der profeten en der apostelen, kerk der Hervormers en der martelaren, uw geloof is mijn geloof!" Vandaar dat deze belijdenis vroeger was: „een onderzoek van degenen die tot het heilig Avondmaal wenschen toe te gaan !" Iemand afhouden van het heilig Avondmaal, omdat hij te weinig Bijbelsche of kerkelijke geschiedenis weet, is een aanslag tegen het Heilige. Dat is de dwaze hoovaardij van hen, die zich inbeelden dat ze „lidmaten maken." Neen, waarlijk, gij, presbyterinle bisschoppen, „lidmaten maken" dat kunt gij niet. Dat is het heilig privilegie van den Heere uwen God. Te zeggen: „Naar het Avondmaal ga alleen de verzekerde van zijn heil", gaat evenmin op. Dat men bij het wegvallen van de tucht, vooral in grootere gemeenten, en bij de algemeene uitgieting van goddeloosheid tot zoo iets kwam, begrijpt zich. Daar spreekt eerbied, beving voor het Heilige in. niet
dit
bestaat
in
fout. Het komen tot het Avondmaal mag nooit saamkomen van een clubje, dat denkt: „Wij zijn nu de eigenlijke menschen, die er hooren." Dan immers komt er de hoogheid, en ... de zegen is weg. Wat er komen moet, zijn „arme, in
Toch gaat het
zijn
het
zichzelven verloren zondaars, die bekennen geen leven in zichzelf buiten hunnen Heere te hebbeu." Er mag dus niet afgelaten van den regel, dat een lidmaat van de gemeente des levenden Gods, die tot zijn jaren is gekomen, aan het heilig Avondmaal hoort, en de opzieners der gemeente zijn gehouden, de lidmaten der gemeente daartoe te vermanen. Slechts één ding mag en moet gebeuren. De sleutelen worden gehanteerd, niet enkel in de tucht van schorsing en uitbanning, maar in de persoonlijke tucht die door het Woord ook over ieders hart en leven gaat. Ik kan in een zonde liggen, waar de opzieners der gemeente niets van weten, en die toch scheiding tusschen mij en mijn God maakt. Welnu, die zonde moet ook getuchtigd, al is ze verborgen. Die tuchtiging dient het Woord toe. Vandaar het zelfonderzoek; vandaar het vermaan in het Formulier, aan „allen die in deze voornoemde lasteren blijven, zoolang ze daarin zijn, zich van deze tafel te onthouden;" vandaar eindelijk de drang des Geestes in de gemeente, om te schiften bij de Heiligheden des Heeren, wat geen kerkeraad, wat geen menschenoordeel, wat vooral geen prediker, schiften kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's