Het heil in ons - pagina 232
Theologen reeds door hun titel van „vermengde geloofsartikelen" uitdrukten? Te weten, de erkenning, dat de heilswaarheid van het Christendom niet op mechanische wijze uitwendig aan den zondaar wordt opgelegd, maar zóó berekend en aangelegd is op zijn natuur en wezen, dat ze blijkt daarbij te behooren, daarin een steunpunt vindt en, hoezeer ook van absoluut goddelijken oorsprong, niettemin in wezenlijk „menschelijke" vormen optreedt. Althans indien men de belijdenis onzer vaderen van de natuurlijke Godskennis, de voorbereidende genade, de leer des Verbonds, van het verband tusschen Israël en de volken en van de verordineering Gods, van den samenhang der werkingen van den Vader, van den Zoon en
van den Heiligen Geest, met deze onderscheiding tusschen „eenzijdige" en „tweezijdige" of, gelijk we ze eerst noemden, vermengde en onvermengde artikels des geloofs in verband brengt, valt niet in te zien, wat hieraan zou zijn toe te voegen, om de belijdenis van den Apostel, „dat het natuurlijke eerst is, daarna het geestelijke," en dat beide met elkander door het geloof in levensrapport treden, volkomen weer te geven.
Nieuwen wijn doe men in nieuwe lederen zakken, maar wie met ons belijdt, dat de teug waaraan zich onze ziel verkwikt van denzelfden Wijnstok is, waarvan onze vaderen dronken, bedenke zich tweemaal, eer hij door het opzettelijk verbreken van den ouden en het koopen van een nieuwen beker, de lijn der gemeenschap verbreekt, die ons geloof verbindt met dat onzer vaderen. Ons dunkt, er staat ons een betere weg open. Plaats nemende op het terrein, waar onze vaderen zoo uitnemend positie kozen, of beter, waar zij zoo heerlijk door den Koning der Kerk werden geplaatst, hebben wij onze roeping bewust te worden, om voort te spinnen aan den draad dien zij opnamen en op gestadige zuivering van het spinsel bedacht te zijn. Men beginne met de Gemeente weer in het bezit der schatten te stellen, die als buit eener worsteling van zestien eeuwen, reeds het eigendom onzer vaderen waren. Dat zal geen weelde zijn. Aan kennis althans is de thans levende Gemeente onvergelijkelijk armer dan de Gemeente die voor een tweetal eeuwen in deze landen de banier des kruises hoog hield. Men is van de periode eener hoogere ontwikkeling tot de Nomadenperiode teruggekeerd. Vergeleken bij vroeger, is er op het stuk van kennis der Schrift en kennis der heilswaarheden en inzicht in de bouwlijnen van den tempel der heerlijkheid, schier allerwegen achteruitgang te bespeuren, van verdere ontwikkeling slechts hier en daar een enkel zwak, min beduidend spoor. Daaraan moet een einde komen, en daartoe bestaat geen andere weg, dan dat men eerst zijn vaderlijk erfgoed weer aanvaardt en dan, hier lette men op, dit talent niet in de aarde begrave, maar het op de markt des levens brenge en er een ander talent mee winne.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's