Practijk der godzaligheid - pagina 200
192 gebondene aan zijn keten, als de gevangene in zijn wetend dat er aan die keten toch geen stukwringen, aan die muren toch geen verduwen of verzetten is; niet met wrok, maar met onverschilligheid om de lippen; niet kokend van wrevel, maar wezenloos en koud. Nog terwijl men leeft, is het hart dan al gestorven; gestorven aan de liefde voor de zijnen; gestorven aan wat schoon is en wél luidt; gestorven ook aan den dorst naar geluk en heerlijkheid, waarmee ons arm, doodelijk hart nog om het verloren Paradijs roepen blijft. Door minder te leven, weet men dan minder te Uiden. Men laat de golven over zijn hoofd heenkabbelen en sluit de oogen en stopt de ooren toe en
ligt
kerker
de
als
neder,
en .... zinkt weg. Zoo brengt onze eeuw het vér en kan de groep van hen, die den Christus verwierpen, vrij wat schijn maken van edele kracht buiten Hem, de Bron en Springader van alle hoogere krachten, gewonnen. Men' verhardt zich uit hebzucht; verkloekt zich uit eerzucht; veinst kalmte naar buiten als men in 't verborgene van toorn stampvoet; zoekt in zijn hoovaardij uit minachting voor het leed over het lijden te triomfeeren; of ook, doet zich tegoed aan een triomf die er niet was, wijl er geen strijd voorafging, maar slechts gevoellooze onaandoenlijkheid of erger nog, droogt geen traan meer weg als zijn lieven sterven, omdat er geen traan meer opwelde uit het hart dat niet meer lieven kan; zet zich in overspanning of door uitspatting over druk en kommer heen; en is ten leste voor geen pijl meer wondbaar. wijl de huid om het hart geheel vereelt en dat hart als een kei wierd; ;
—
op alle manier, Hem die sloeg weerstaan, vergeten, weggecijferd; en op allerlei wijs zijn menschelijk hart verdoofd, bedwelmd en versteend; en langs allen weg de teederder gevoelens durft men zich dan nog in zijn afgestompt en gedood te hebben, hoovaardij beroemen, dat men ook zonder den Man van smarten wel in zijn smarten berusten en zonder den Overwinnaar des doods den en
na
zóó,
—
dood wel trotseeren kan! Dan hoort ge van de kranken hoe stil en gelaten ze op hun sponde nederliggen; en van de dooden hoe kalm en gerust ze ontslapen zijn; en maakt men van elk ziekbed een uitdaging, van elk sterfbed een uittarting aan de verachte sekte die nog jubelen durft „dat er geen vrede is dan in God!" En toch aan óns, die nog door de genade dat volhouden durven,, aan óns, Christenen, van dien diep bedroevenden hoon de schuld. Of zijn wij het niet, die met het Woord des Heeren in onze huizen,. het toch weer hebben toegelaten, het hebben gedoogd, ja er aan hebben meêgearbeid, dat het licht van Jezus weer van het mysterie des lij dens wegtoog, om ons terug te werpen in de nevelen, waarin de dolende heidenen die ontzaglijke verborgenheid hebben beschouwd ? Zijn wij het niet, die, naar den prikkel van ons zelfzuchtig hart, weer de hardheid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's