Het heil in ons - pagina 97
87 zijn
en
ziel
plooi,
die
de
zintuigen
maakt dat met
van
zijn
lichaam ontvangen
al
meer een
gelijke krachtsinspanning voortaan al over-
vloediger resultaat verkregen wordt, en alzoo beter tegen de koude nachtvorsten gehard.
Toch verlieze men nimmer Gods kinderen noch bij allen
is
de pas gezette vrucht
het oog, dat het geloofsproces in eenzelfden vorm draagt noch ook in
uit
oogenblikken en tijden zich zelf gelijk blijft. vindt Christenen bij wie dit geestelijk proces een volkomen geleidelijke ontwikkeling vertoont en met onverstoorbare gelijkmatigheid zijn heerlijken weg vervolgt. Maar deze zijn de minsten in aantal en tegen hen over staan tal van broederen, die nu eens te hard, dan weer te zacht loopen of door onvoorzichtigheid in kuilen vallen, waaruit ze dan straks weer moeten opkomen. Anderen weer, die lang winteren, om bijna zonder lente in een laten zomer over te springen. Ja, ge vindt er ook, bij wie ge slechts nu en dan de vonk ziet opgloren, die u de overtuiging hergeeft, dat er onder die doode asch alle
Gij
toch iets smeult.
van de nawerking van het verleden of van de ombewerkt; af van de leidende geesten onder wier beademing we komen, af van de grondneiging van ons karakter; af van de oprechtheid of leugenachtigheid van ons vroom willen en bedoelen, of ook van de vrijmachlige verscheidenheid, waarin het den Heiligen Geest belieft zijn heerlijke glansen te doen uit-
Dat hangt
geving
die
af
ons
stralen.
Maar welk verloop
dit heiligingsproces ook bij ons neme, déze drie daarvan onafscheidelijk: ten eerste, dat bij korter of langer tusschenpoozen weer zondige uitwerkselen zich tusschen de werkingen van het goede indringen; ten tweede, dat aan alle werkingen van het goede iets heiligs ontbreekt, dat er aan zijn moest, en iets besmets aankleeft dat er niet aan hoorde; en ten derde, dat voor het bewustzijn van de uitverkorenen zelf hun schuld al grooter en hun heiligheid steeds onvoldoender wordt. Over elk dezer drie een kort woord ter toelichting. Yooreerst dan: de reeks van goede werken wordt altijd weer door uitwerkseleyi der zonde afgehroken. De tegenwerping, dat toch de volmaakbaarheidsdrijvers het tegendeel beweren, en dat men in Christelijke bedehuizen de heiligschennende „Wie taal heeft moeten aanhooren, dat een zondaar zeggen dorst: uwer overtuigt mij van zonden !", of ook een ander roemen dorst „in deze laatste dertig jaren geen enkele zonde bedreven te hebben" bewijst tegen onze stelling niets. Of acht ge dat de stelling: „Om te slapen moet het lichaam in rust zijn", moet opgegeven ter wille der slaapwandelaars; of wel, dat de stelling: „Met de oogen toe, ziet men niet," door den clair-voijant onhoudbaar wordt; of ook, dat de Godde„Een vrouw zal met smarte baren" wordt opgeheven lijke stelling:
verschijnselen
zijn
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's