Practijk der godzaligheid - pagina 240
232 Vasten alzoo met een drieledige bedoeling: 1. om het vleesch te temmen, 2. om ons te bereiden voor onze gebeden, 3. als afschaduwing van onze vernedering voor den Heere. Dit vasten nu moet in de eerste plaats, zoo meldt hij, door de gansche gemeente en eerst in de tweede plaats particulier door den enkelen persoon gehouden worden: „Hierom wordt het vasten, hetwelk een teeken der vernedering is, gewoonlijker gebruikt van de gemeente in het gemeen, dan van sommige menschen bizonder: hoewel het (gelijk voorzegd is) der gansche gemeente en eenen iegelijken bizonder gemeen is. Daarom zooveel de discipline daarvan wij nu handelen, aangaat: zoo wanneer men moet
om
eenige groote zaak bidden, zoo ware het nut vasten en bidden te gebieden. „In dusdanig vasten hebben zij niet anders aangezien, dan omdat zij zouden bekwamer en vaardiger worden om te bidden. Dit bevinden wij voorwaar wanneer de buik vol is, zoo is het hart noch de geest niet zoozeer opgeheven tot God dat men kan ernstig en met vurige beweging tot bidden genegen worden en daarin volharden. „Wederom is het dat er pestilentie, of honger, of krijg, of eenige ellende schijnt in eenige lande of volke voorhanden te zijn, zoo behooren de pastoren ook dan de gemeente te vermanen tot vasten en bidden, om den toorn Gods ootmoediglijk af te bidden. Want als God eenig perikel laat verschijnen, zoo geeft Hij te kennen, dat Hij zich zelven tot wraak beroert en eenigzints wapent. „Daarom gelijk voor tijden de misdadige menschen plachten den baard te laten wassen, zwarte kleederen aan te doen, en zichzelven ootmoediglijk te vernederen, om barmhartigheid van den rechter te verkrijgen; alzoo ook, als wij voor den richtstoel Gods beschuldigd zijn, zoo is het ook der eerlijkheid Gods betamelijk en der gemeene stichting bevorderlijk en ook onszelven nut en zalig, dat wij met jammerlijke uitwendige bewijzinge onzer droefheid, zoeken zijne strengigheid af te bidden." Het vasten was niet beperkt tot den tijd der schaduwen, maar raakt ook wel terdege óns: „De assche en de zak betaamde mogelijk dien tijde meer dan den onzen, maar de samenroeping en vergadering, en weenen, en vasten, en dergelijke dingen, dienen ook zonder twijfel onzen tijd zoo wanneer de gelegenheid onzer zaken dat alzoo eischt. Want dewijl het een heilige oefening is, om zich zelven te vernederen, en de vernedering te bewijzen; waarom zouden wij die minder gebruiken dan het Joodsche volk in gelijken nood?" Of het dan geene ceremonie was, die met de komst van Christus is voorbijgegaan?
Antwoord. „Ja zij is ook nog heden den geloovige een zeer goed en eene nutte vermaning gelijk zij altijd is geweest om
behulpsel,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's