Heils termen - pagina 209
199 Golgotha bloed
het
is
dan
een ander, nog- ontzettender Sinaï geworden, en in spreekt geen verzoenend Ontfermer, maar een
Lams
des
verterend vniir. Is daarentegen de Christus waarlijk mensch, heeft Plij Gods heiligheid uit de diepte onzer e n s c h e 1 ij k e ingezonkenheid, als e n s c h, langs den w^eg des menschelijken levens, opgebracht, en is het dus in waarheid, zonder beeldspraak, met uitsluiting van het overdrachtelijke, één onzer, van ons vleesch en bloed, van ons geslacht
m
m
en onzen huize, een Mensch in vollen zin des woords geweest, door wien het welbehagen Gods volbracht Ib, dan is de gemeenschap om dat volbrachte welbehagen ook mij geopend, en leeft in het levensverband met den mensch Jezus Christus ook mijn gevallene, mijn ingezonkene menschelijke natuur weer op. Onzerzijds is het volbrengen van Gods welbehagen dus alleen mogelijk door onze inlijving in den Christus, d. i.^door het geloof. Uit den Christus en mijn ziel, die eertijds twee waren,- moet door de versmelting des geloofs één onoplosbaar leven worden. Stond ik eerst naast en tegenover Hem, uit die afzondering moet ik weggenomen, in Hem overgezet en in Hem besloten worden, om tot de openbaring van Gods welbehagen te kunnen geraken. Christus volbrengt het welbehagen Gods eeuwiglijk, dus ook in zijn lichaam', en de levensvraag mijner consciëntie is dus maar, of ik zelf in' dat lichaam ben ingelijfd, of het organisch leven van dat lichaam ook mijn ziel met het Hoofd des lichaams in verband brengt, ja, of ik zoo met de vezelen mijner ziel in het cellenweefsel van dat mystieke lichaam ben ingeweven, dat de levenswarmte en verkoeling vaii mijn eigen ziel met de koude en warmte van dat lichaam wisseïen. Streng genomen is het „Gode welbehagelijk" op ons leven dus slechts in zoover van toepassing, als dit onvoorwaardelijk uit den geloove
vloeit.
Wat
uit het geloof niet
is,
d.
w.
z.
niet uit'het levens-
verband met den Christus, dat is zonde. Er is maar één Averk Gods, naar 's Heeren eigen woord, dit namelijk, „dat we gelooven- in Hem^ dien Hij gezonden heeft!" Stelregel "voor het doen van Gods welbehagen is en blijft dus het woord van den Hebreërbrief „God is het, die zelf in ons werkt, wat Hem welbehagelijk is, door Jezus :
Christus." Maar hierbij kunnen we
niet staan blijven. De klacht van ongeloof daartoe juist op de lippen des geloovigen te menigvuldig. Het eindige onzer natuur gedoogt niet, dat we ons ongestoord" in de diepten van het eeuwige verliezen. Uit dat eeuwige, waarin we ons verzoend, is
gerechtvaardigd en geheiligd weten, worden we telkens weer naar het eindige van ons menschelijk leven getrokken. Dit baart strijd, dat dwingt ons tot de heftigste geloofsworsteling, waaraan alleen de valschelijk gerusten ontkomen kunnen. Wat reeds volbracht was, komt ons daardoor als nog te volbrengen voor. De schuld, voor welker ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's