Dat de genade particulier is - pagina 118
108
kunnen met
een onbestemde, zwevende uitspraak, die flanwelijk van een ders^elijk uitzicht liet doorschemeren. Integendeel ze zouden ons dan uitspraken van stavast, gelijk het volk dat te noemen af
iets
pleegt,
moeten voorleggen.
Want wel geven we volkomen
toe,
dat het heiligschennis
Bijbel naar eenig systeem te willen verwringen en erkennen stoots,
dat
we de
den
is,
we
verschillende openbaringen van den Heiligen
voet-
Geest
in de Schriftuur in haar volle kracht, ongedeerd en ongerept, moeten laten zeggen, wat ze zeggen,
op
te
sporen,
heffen.
te
al
ja,
Maar
als
ook
al
gelukt het ons niet, het
verband op
schijnt de ééne de andere uit te sluiten en
nu, gelijk hier, het geval zich voordoet, dat de
en op de duidelijkste en klaarste wijze leert, dat de bekeering en toebrenging niet na maar vóór den dood moet plaats hebben, en doorloopend door de Heilige Schrifture elk denkbeeld van een hekeering na den dood wordt uitgesloten, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat niemand recht heeft desniettemin te beweren, dat de Schrift tóch op zulk een bekeering na den dood het uitzicht opent, tenzij de uitspraken, die hij hiervoor aanhaalt, zoo klaar, dwingend en afdoende zijn, dat ze geen andere uitlegging toelaten. Dit nu kunnen de pleitbezorgers der algemeene genade volstrekt niet. Al wat ze u bieden zijn eenige dubbelzinnige, op den klank af misverstane uitdrukkingen, gerukt uit haar profetisch kader. Riethalmpjes waaraan ze zich vastklemmen, om, kon het, met hun onschriftuurlijke leer, nog even hel hoofd boven te houden, maar die Schrift
overal
knakken als men ze Immers zóó sterk
aanroert.
en beslist druischt geheel de Profetische openbaring tegen zulk een voorstelling in, dat veeleer, naar de reeds zoo vaak gemaakte opmerking, het lot der eens afgestorvenen (ook onder Israël), maar vooral onder de heidenen, een nauwelijks waarneembaar bestanddeel vormt in de elementen, waaruit de glorie van Messias wordt saamgesteld. Van de afgestorvenen bestaat geen andere gedachtenis dan die van het schaduwachtige leven der graven, des machteloozen heidens en wachtens, of der steeds diepere verzinking (gelijk bij Jes. 14), in smaad en verachtelijkheid. Blijkbaar dringt, drijft, perst alles in de Profetie naar een leven in heerlijkheid, en is het haar doel, niet om Gods schikkingen met de zielen der enkele afgestorvenen te openbaren, maar om het stroombed te teekenen, waar de stroom der volken, zijn wateren door zal laten afvloeien, om eens uit te loopen in den oceaan van 's Heeren heerlijkheid.
Kalm en
gerust wachten
we dan ook de aanwijzing van zoodanige,
den schat der profetieën en veroorloven ons tot zóó lang vast te houden aan wat de analogie der gansche Schrift en in het bijzonder het karakter van het o.
af;
i.
niet bestaanbare Schriftuurplaatsen, uit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's