Het heil in ons - pagina 69
te willen zijn, van God te willen afhangen, te willen dat onze door God bezield worde, is de afsterving van den ouden mensch en de opstanding van den nieuwen tegelijk. Toch is daarmee de herstelling van den wil ten goede, d. i. de bekeering, niet voltooid. De bekeering gaat door heel het leven. Nog op het sterfbed zijn verkeerde gangen in het hart, waarvan Gods kinderen zich te bekeeren
worpen wil
hebben. intusschen van de oorspronkelijke en De keus tusschen dood en leven, tusschen onze zondige natuur en Christus, tusschen de wereld en het Lichaam des Heeren, doen we slechts éénmaal. De voortgezette bekeering is uitvloeisel en waarborg van de beslissende bekeering, nooit een herhaling. Het is geen tweede planting naast de eerste, maar ontluiking en ontkieming van hetgeen in de eerste planting tot
Deze voortgezette bekeering
is
eerste bekeering in beginsel onderscheiden.
aanzijn
kwam.
Dit doet haar niet dalen in beteekenis, maar leent haar juist hooger waardij. Kon de bekeering herhaald worden, dan zou het niet een eeuwig werk gelden en de gestadige vrees voor mislukking zou den ijver uitblusschen. Nu ze in voortgezette bekeering zich te uiten, waar te maken en in haar vruchtbare gevolgen te openbaren heeft, is ze voorwerp van den rusteloozen arbeid der Gemeente. Kon men terugkeeren tot het Schriftuurlijk Gemeentebegrip, een einde maken aan de prediking, die de gedoopten des Heeren met de heidenen, die buiten het Verbond staan, op één lijn stelt, en inzien dat de Gemeente een moeder is, die ons niet slechts baart, maar ook een gansch andere geestevoedt met haar melk, en ons opvoedt, lijke arbeid dat tot dusver zou zich in de Gemeente van Christus openbaren. We bedoelen niet allereerst den Missiearbeid in zijn veelzijdige vertakkingen naar buiten. Op den eisch, dat ook dit deel van den gemeentelijken arbeid niet slechts in stand blijve, maar veeleer van zijn eerste wankele schreden tot vasten tred kome, mag door niemand afgedongen. Maar zonder aan dezen arbeid ook in 't minst te kort te doen, eischen we toch, dat allereerst het oog openga voor de verplichting der Gemeente ten opzichte van haar eigen geestelijk, inwendig genadeleven. De Gemeente van Christus moet nabij haar God leven, doordringen in zijn tente, en uit de volheid van den Christus genade voor genade ontvangen. Zonder dien gestadigen toevoer van geestelijke kracht is haar arbeid naar buiten een blazen uit ledige longen, een schenken
—
met de ledige kruik. Daaraan nu schort het
ons.
De kennis van de
kennis
wien
te
van
het eigen hart, de kennis van het geestelijk leven, de Schrift, en dientengevolge de kennisse van hem,
kennen het eeuwige leven
is,
neemt
eer af
dan
toe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's